Search
Close this search box.

Over het Beleg van Leiden valt veel te vertellen

In de Zuid-Hollandse stad Leiden wordt op 3 oktober het Leidens Ontzet gevierd. Daarmee herdenkt men het einde van het Beleg van Leiden in 1574. Over het Beleg van Leiden valt veel te vertellen. Wat was de aanleiding voor de belegering van de stad, wat zijn de mythes en wat is er waar van deze mythes?

Over het 3 Oktoberfeest

De kermis in 1992. De foto is afkomstig van deze pagina van Erfgoed Leiden en is aangepast ivm. privacy van personen die weergegeven worden op het origineel.

Introductie

Het Beleg van Leiden wordt herdacht tijdens het 3 Oktoberfeest. Een zeer bekend feest voor inwoners van Leiden en de omliggende gemeenten. Niet alleen staat 3 oktober in het teken van een herdenking en viering. De festiviteiten beginnen al eerder. Denk dan bijvoorbeeld aan een speciaal optreden voor senioren (de Seniorenvoorstelling), de zondag voor 3 oktober, een historische lezing (ook op de zondag voor 3 oktober), het Minikoraal voor leerlingen van basisscholen uit Leiden en omstreken (meestal op of rond 1 oktober), het Pieter van der Werfffestival (voor leerlingen van het middelbaar onderwijs, meestal rond 2 oktober), de traditioneel hutspotmaaltijd (officieel sinds 1993, al gaat de traditie langer terug, en op 2 oktober), de Grote Taptoe (2 oktober) en natuurlijk de nacht van 2 op 3 oktober.

Kortom, Leidens Ontzet is meer dan slechts een dag.

Een groot feest

Over dit Beleg van Leiden valt veel te vertellen. Het gaat om een van de bekendste belegeringen tijdens de Tachtigjarige Oorlog (1568 – 1648). Over het feest valt ook veel te vertellen. In dit artikel lees je vooral veel over bestaande verhalen en waarom deze in sommige gevallen helemaal niet gebaseerd zijn op de waarheid. Gelukkig hoeft er geen twijfel te bestaan over het 3 Oktoberfeest. Iedereen is het daar wel over eens: dat is gewoon een groot feest!

Op de foto

De kermis in 2019. We hadden ons vergist in het tijdstip waarop de kermis zou openen.

Over het moderne feest

Het feest zoals we dit vandaag de dag vieren is er dankzij de 3 October Vereeniging. Deze vereniging werd opgericht op 13 mei 1886. Voordat het zover was, moest men nog wel wat regelen. In september 1823 had de gemeenteraad bepaald dat de viering van 3 oktober alleen nog maar plaats mocht vinden op een zondag. Daarmee kwam men vooral tegemoet aan de werkgevers, want niemand hoefde ervoor vrij te nemen. De festiviteiten kregen daarmee een sober karakter. Dat riep weerstand op, volgens de website van de 3 October Vereeniging waren het de studenten van Minerva die dit niet zagen zitten, zo lees je via deze pagina.

Op de foto

Herdenkingskleed van de Leidsche Katoen Maatschappij, jaartal onbekend. Bron: Erfgoed Leiden en Omstreken.

1823

De studenten riepen in 1823 iedere Leidenaar op om te vlaggen. Ze deelden deelden haring en wittebrood uit aan de allerarmste inwoners van de stad. Dat is mooi, nietwaar? Zeker wanneer je bedenkt dat een kwarteeuw eerder (vanaf 1795) niets mocht. Alles was verboden tijdens de Franse Tijd (1794 – 1813/1814). Het valt overigens te bezien of het enthousiasme alleen voortkwam uit een verbod tijdens de Bataafse Republiek.

De eerste herdenkingen van Leidens Ontzet kennen al een oudere geschiedenis, hoe dat precies zit lees je verderop in dit artikel.

Leidens Ontzet in 1921

1921

Het uitdelen van haring en wittebrood gebeurde soms ook voor het gebouw van de Waag, zoals hier te zien is. Dit was in 1921. Op de foto een muziekkorps, gekleed in kostuums uit de zestiende eeuw. De foto staat op naam van Vereenigde Fotobureaux volgens het Nationaal Archief.

De viering in 1922.

1922

De viering in 1922, met op de achtergrond de watertoren bij de brug over het Rijn-Schiekanaal (Wilhelminabrug). Deze brug werd enkele jaren ervoor (1919) in gebruik genomen. De watertoren werd in 1908 in gebruik genomen. Foto: Nationaal Archief.

Koningin Wilhelmina en (op gepaste afstand) prins Hendrik op 3 oktober 1924 in de Leidse Breestraat.

1924

Koningin Wilhelmina en (op gepaste afstand) prins Hendrik op 3 oktober 1924 in de Leidse Breestraat. Foto: Nationaal Archief.

Leidens Ontzet in 1924.

1924

Leidens Ontzet in 1924 en de locatie lijkt op de Zoeterwoudse Singel of de Plantage. Aan boord van de boot Leidenaars die zich aangekleed hebben in kostuums die door moesten gaan voor zestiende eeuwse kledij. De foto is onderdeel van het Nationaal Archief.

Op de foto

Een schilderij van Pieter Adriaensz Cluyt uit 1573 dat het Beleg van Alkmaar toont. De foto van dit schilderij is afkomstig uit de collectie van het Regionaal Archief Alkmaar en is overgenomen via deze locatie

Ook in Alkmaar

Niet alleen in Leiden staat men stil bij het Ontzet. Ook in Alkmaar herdenkt en viert men in oktober. Om precies te zijn op 8 oktober. Men zegt wel eens “In Alkmaar begint de victorie.” Daar vond tussen 21 augustus en 8 oktober 1573 een belegering door de Spanjaarden plaats. Als het om de herdenking en viering gaat, wie was er eerder? Wie begon er eerder met de herdenking en viering van het ontzet? Het antwoord is ook in dit artikel te vinden.

Ontzet?

Wat is dat trouwens, wanneer een stad of een gebied ontzet wordt? Daarover lees je meer in dit gedeelte.

Op de foto

Op de foto: Het Academiegebouw van de Universiteit Leiden aan het Rapenburg. Foto: Bine Jagerman.

Universiteit

3 oktober 1574 koppelen veel mensen aan een andere een andere belangrijke gebeurtenis. Dat is de oprichting van de eerste universiteit in de Noordelijke Nederlanden. Op 8 februari 1775 was het zover en vond de opening van de universiteit plaats. Was dit inderdaad een cadeau van Willem van Oranje (1533 – 1584) aan de stad Leiden? De vraag is alleen of dit ook zo is. Zijn naam ontbreekt bijvoorbeeld onder het octrooi (de oprichtingsakte) dat leidde tot de oprichting van de universiteit. De naam van koning Filips II van Spanje (1527 – 1598) stond onder deze akte vermeld. Was dit logisch of niet?

Over de stichting

Wil je meer weten over de stichting van de universiteit, dan klik je hier.

Op de foto

Het zevenregelig vers van Johannes le Francq van Berkhey over de bevrijding van de stad Leiden, geschreven in 1774. Bron: Erfgoed Leiden en Omstreken.

Het beleg en de ontknoping ervan

Het Beleg van Leiden begon op 30 oktober 1573 en eindigde op 3 oktober 1574. Dat is voor de meeste mensen wel bekend. Ook is bekend wat de afloop is geweest. De Watergeuzen namen tijdens de bevrijding van de stad haring en wittebrood mee. Daar kon de uitgehongerde bevolking van de stad zich tegoed aan doen. Alleen hoe zit het precies met deze belegering? Was er sprake van een aaneengesloten periode? Hoe kwam het zover?

Bovendien, wie vond nu die Spaanse kookpot en wat was nu precies de inhoud ervan? Ook is het goed om stil te staan bij de zelfopoffering van burgemeester Van der Werff en bij het papiergeld dat gebruikt werd tijdens het Beleg van Leiden.

Wat ging eraan vooraf?

Op de foto
De inname van Den Briel op 1 april 1572 door Jan Luyken (1649 – 1712). De prent is ouder dan deze versie uit 1730. Deze versie werd na de dood van Luyken uitgegeven. De oorspronkelijke versie dateert uit 1679, zoals valt te lezen op deze pagina van het Rijksmuseum. De prent maakt sinds 2019 onderdeel uit van de collectie van het Rijksmuseum.

Over de Tachtigjarige Oorlog

De Tachtigjarige Oorlog is de periode die geleid heeft tot een onafhankelijk Nederland. Men wilde niet langer afhankelijk zijn van het Spaanse Rijk. Steun tijdens deze opstand kregen de Nederlandse Opstandelingen en later de Republiek van onder andere Engeland en Frankrijk. De strijd begon in 1568 en eindigde met de Vrede van Münster in 1648. Inderdaad, tachtig jaar. Het was alleen niet voortdurend oorlog. Meer daarover lees je via Historiek.net.

Willem van Oranje.
Willem van Oranje

Willem van Oranje (1533 – 1584), Prins van Oranje, graaf van Nassau-Dillenburg. Hij was de leider van de Opstandelingen. Van oorsprong was hij Duits, maar zijn naam is ‘vernederlandst,’ omdat hij dankzij erfopvolging in 1544 de titel Prins van Oranje erfde. Bron afbeelding: Wikimedia Commons naar een schilderij dat is opgenomen in de collectie van het Rijksmuseum. Het schilderij is van de hand van Adriaen Thomasz. Key en is waarschijnlijk afkomstig uit 1579. Sinds 1933 is het schilderij onderdeel van de collectie van het Rijksmuseum.

Koning Filips II van Spanje.
Filips II van Spanje

Filips II van Spanje (1527 – 1598). Hij was door erfopvolging koning van Spanje, (Castilië, Aragón), Napels, Sicilië, de Spaanse Nederlanden en Portugal. Daarnaast is hij gedurende vier jaar koning geweest van Engeland, dankzij een huwelijk met Maria I van Engeland. Het schilderij waarop Filips te zien is hangt in het Museo del Prado en is gemaakt door Sofonisba Anguissola. Deze foto is afkomstig van Wikimedia Commons, waar de afbeelding aangeboden wordt als CC-afbeelding.

Niet iedere stad

Tijdens de Tachtigjarige Oorlog was er eigenlijk sprake van een opstand en in die opstand koos niet ieder deel van Nederland of iedere stad in Nederland de kant van de Opstandelingen. De Opstandelingen stonden (natuurlijk) onder leiding van Willem van Oranje. De stad Leiden was eigenlijk helemaal niet van plan om de kant van de Opstandelingen te kiezen, net zoals Amsterdam. Men wilde trouw blijven aan de Spaanse koning Filips II (1527 – 1598). Een belangrijke gebeurtenis deed het stadsbestuur besluiten om alsnog de kant van de Opstandelingen te kiezen. Dat was de inname van Den Briel (Brielle). Toen daarna nog meer steden ingenomen werden door de Geuzen, besloot Leiden de kant van de Opstandelingen te kiezen.
Over de afbeelding
Een spotprent over de val van Den Brie, gemaakt door Gerardus Johannes Bos (1825 – 1898) in 1872. Sinds 1909 onderdeel van de collectie van het Rijksmuseum.

De inname van Den Briel (Brielle)

Op 1 april verloor Alva zijn bril

Wie kent de bovenstaande uitdrukking niet? Het is een verwijzing naar de inname van Den Briel/Brielle door de Geuzen op 1 april 1572. De stad kwam op een vrij simpele manier in handen van de Geuzen onder leiding van Willem II van der Marck (1542 – 1578), beter bekend als Lumey of Heer van Lummen. Samen met Bloys van Treslong (1529 – 1594), Lenaert Jansz de Graeff (vermoedelijk 1530 of 1535 – vermoedelijk rond 1578) en Jacob Blommaert (geboortedatum onbekend – 1572) voer de vloot van 25 schepen richting een haven waar ze uit konden wijken nadat ze door de Britse vorstin Elisabeth I weggestuurd waren wegens wangedrag. Dit wangedrag bestond uit ordinaire piraterij. Na een storm kwam de vloot terecht in de monding van de Maas, in de buurt van Den Briel.

Willem II van der Marck, heer van Lummen (Lumey).
Willem II van der Marck

Willem II van der Marck, heer van Lummen (Lumey) (1542 – 1578). Bron: Rijksmuseum.

Willem Bloys van Treslong
Willem Bloys van Treslong

Willem Bloys van Treslong (1529 – 1594). Bron: Rijksmuseum.

Met de inname van Den Briel, het tegenwoordige Brielle, komen we aan op een bijzonder stukje van de Tachtigjarige Oorlog, die ook voor het Leidens Ontzet belangrijk was. Dat stukje begint eigenlijk met toeval. Dat de vloot van Lumey daar terechtkwam was te danken aan een storm de Noordzee. Eigenlijk was het de bedoeling om vanuit Dover uit te wijken naar Enkhuizen. De inname was dus geen vooropgezet plan. Hoe kon het dan toch zover komen? Natuurlijk kun je vraagtekens plaatsen bij deze toevalligheid, omdat Bloys van Treslong er geboren was. Er is overigens geen bewijs te vinden dat dit een bewuste actie is geweest of niet. Laten we daarom maar uitgaan van die toevalligheid.

Meer informatie

Meer informatie over de gebeurtenissen die zich voltrokken hebben op 1 april 1572 zijn te vinden via de website van de 1 April Vereniging. Deze vereniging werd op 10 januari 1939 opgericht. Sinds de jaren zestig viert men in Brielle het feest op jaarlijkse basis, zoals hier valt te lezen.

Zoals te zien is op deze pagina is de vereniging overigens eigenaar van een replica van een Geuzenschip, De Prince Admirael. Dit schip bouwde men tussen september 1978 en maart 1979. Tijdens de festiviteiten op 1 april maakt men van dit schip. In Leiden maakt men gebruik van andere boten, waarmee een Geuzenintocht plaatsvindt, zoals in de onderstaande beelden uit 2019 te zien is. De intocht in Leiden vindt plaats om 15:74. Op de klok is dat overigens veertien minuten na vier uur in de middag.

Over de afbeelding
De inname van Den Briel. Bron: Wikimedia Commons.

Coppelstock of Koppestok?

Een goede naamsvermelding is belangrijk. In dit artikel is er alles aan gedaan om namen zo correct mogelijk te vermelden. Waar mogelijk is altijd gebruik gemaakt van de originele naam. Heb je het over Den Briel, dan mag een persoon niet ontbreken. Dat zou hetzelfde zijn als wanneer je bijvoorbeeld een persoon als Louis de Boisot (1530 – 1576) niet zou noemen, al mag je die gerust Lodewijk noemen trouwens. Of heer van Ruart (Nijvel). Dat was hij namelijk ook, naast admiraal van de Zeeuwse Geuzenvloot en held tijdens het Leidens Ontzet.

Lastige situatie

Heb je het over de inname van Den Briel, dan mag een persoon niet ontbreken en dan ontstaat meteen al een lastige situatie. Is het Jan Pieterszoon Coppelstock of Koppestok? Volgens dit monument moeten we zijn achternaam spellen als Coppelstock en dus niet Koppestok. Dit monument bestaat niet meer, want het is tijdens de Tweede Wereldoorlog verloren gegaan. Wanneer je in de personen databank gaat zoeken van Voorne-Putten, waar ook de vermeldingen van Brielle in te vinden zijn, dan zijn daar ook de gegevens in te vinden van de families Coppelstock. Daar zijn geen gege-vens in te vinden van de families Koppestok (zie deze gearchiveerde versie). Kortom, een mysterie minder: Coppelstock dus.

Over de afbeelding
Gedenkplaat van de 300-jarige viering van de inname van Den Briel in 1872. Bron: Rijksmuseum.

Alleen wat was zijn rol nu precies tijdens dit alles. Hoe serieus moeten we deze veerman uit Den Briel nemen? Overigens claimt men in Maassluis ook enige faam, omdat hij daar ook een huis had. Om precies te zijn het Coppelstockhuis. Alleen klopt dat wel? Wanneer je het verhaal leest via de website van de Historische Vereniging Maassluis (HVM) dan woonde hij voornamelijk in Den Briel. Het pand dat we nu kennen in Maassluis als het Coppelstockhuis (Hoogstraat nummer 17) is een huis waar hij zo nu en dan verbleef. Het toont een schip waarmee Coppelstock zijn passagiers vervoerde: een Hengst.

Ruzie

Alleen wat was zijn rol nu precies tijdens dit alles. Hoe serieus moeten we deze veerman uit Den Briel nemen? Overigens claimt men in Maassluis ook enige faam, omdat hij daar ook een huis had. Om precies te zijn het Coppelstockhuis. Alleen klopt dat wel? Wanneer je het verhaal leest via de website van de Historische Vereniging Maassluis (HVM) dan woonde hij voornamelijk in Den Briel. Het pand dat we nu kennen in Maassluis als het Coppelstockhuis (Hoogstraat nummer 17) is een huis waar hij zo nu en dan verbleef. Het toont een schip waarmee Coppelstock zijn passagiers vervoerde: een Hengst.

Wat de veerman met zijn bemoeienis leek te doen, als we de verhalen mogen geloven, is stoken. Tijdens een onderhoud met Bloys van Treslong vertelde hij dat er geen Spanjaarden in de stad aanwezig waren. De stad zou volgens hem makkelijk zijn in te nemen. Hoe hij tot deze conclusie kwam was een raadsel. Het was een net zo’n groot raadsel waarom hij vervolgens het stadsbestuur voorhield dat er een overmacht van zeker 5.000 Watergeuzen voor de stad aan het wachten waren. Gezien de reputatie van de beste man, had je mogen verwachten dat men vraagtekens zou plaatsen bij zijn uitspraken. Dat deed men niet en de paniek sloeg toe. Toch dacht men er niet over na om de stad over te dragen aan de Geuzen, want men kende de reputatie van dit volk.

Angst in Leiden

De Geuzen blokkeerden de Noorderpoort en er volgde een ultimatum. Het stadsbestuur weigerde hierop in te gaan. Via de Zuiderpoort besloten inwoners de stad te ontvluchten. Lang niet iedereen deed dit. Het ultimatum verstreek en de aanval volgde. Dat was op 1 april. De reputatie van de Geuzen bleek niet onterecht. Ze plunderden de stad voor een deel. Juist deze plundering zorgde voor angst bij andere stadsbestuurders, waaronder het stadsbestuur van Leiden. Zeker wanneer je bedenkt dat het hierna niet klaar was. Meer steden kwamen onder invloed te staan van de Opstandelingen.

Over de Prinsenvlag

Dan is er nog de Prinsenvlag. Deze vlag kent vandaag de dag een wat nare nasmaak, vanwege het gebruik door de NSB die de vlag tijdens de oorlog gebruikte en het gebruik van de vlag in moderne tijden door extreemrechtse organisaties. Het verhaal dat de Watergeuzen deze vlag geïntroduceerd zouden hebben tijdens de inname van Den Briel klopt niet. De introductie van de vlag volgde pas na 1587. Wel maakte men gebruik van de kleuren oranje, wit en blauw. Meer hierover valt te lezen via deze bron.

Gebruikte de Geuzen in Brielle inderdaad de Brielse Geuzenvlag? Misschien gebruikten de Geuzen de Hollandsche vlag. Deze vlag lijkt op de moderne vlag, maar de kleur blauw wijkt af. In plaats van het huidige kobaltblauw bestond de vlag uit lichtblauw. Deze vlag kennen we ook wel als de Statenvlag. Niet iedereen was blij met het gebruik van deze vlag, want in Zeeland bijvoorbeeld zag men dit als een vertegenwoordiging van alleen de Staten Holland en voelde men zich tekortgedaan. Zo ontstond de Prinsenvlag. Dat was alleen na de inname van Den Briel.

De Brielse Geuzenvlag
De Brielse Geuzenvlag

Deze vlag kennen we als de "Brielse Geuzenvlag" of de "Brielse Geus." De vraag is echter of dit de echte oorspronkelijke vlag geweest is of niet. De vlag lijkt geïnspireerd te zijn op een andere vlag, namelijk de "Dubbele Geus."

De Dubbele Geus.
De Dubbele Geus

Deze vlag is bij koninklijk besluit 315 (20-07-1931) vastgesteld als de vlag voor de Koninklijke Marine en deze vlag kennen we als de "Dubbele Geus" of de "Prinsengeus." Verwar de vlag niet met de "Enkele Geus" voor pleziervaartuigen (ook wel het "Geusje").
Bron afbeelding: Wikimedia Commons.

De Enkele Geus
De Enkele Geus

De Enkele Geus of het Geusje is er voor de pleziervaart. Het is dus niet de bedoeling dat deze vlag gebruikt wordt door andere schepen.
Bron: Wikimedia Commons.

Het 'vriendenboek' van Jan van Doesburg

Wanneer je het vermeld als een ‘vriendenboek,’ dan wek je daarmee de suggestie dat je te maken hebt met een boekje dat Van Doesburg aan zijn klasgenoten op de basisschool gaf. Wie kent dit principe niet? Eigenlijk is het idee wel een beetje hetzelfde. We hebben hier te maken met een ‘Album amicorum,’ dus eigenlijk gewoon een vriendenboek.

Alleen was het vroeger anders dan wat wij gewend zijn. dat is met heel veel dingen zo. De basis is alleen hetzelfde: je verzamelt hierin dingen die anderen schrijven, tekenen of op een anderen manier bijdragen. Dat doet men dus al heel erg lang. Jan van Doesburg deed dit dus ook en Jan van Hout mocht in zijn vriendenboekje. Omgekeerd mocht dat trouwens ook.Die bijdrage die Van Hout leverde is wel interessant. Deze levert nogal wat discussies op. Die heeft alles te maken met Leidens Ontzet en de Prinsenvlag.

Hebben we hier mogelijk te maken met de oudste tekening van een Prinsenvlag?

Over de afbeelding
De mogelijk eerste vermelding van de Prinsenvlag in het album amicorum van Jan van Doesburg / Janus Doesa door Jan van Hout.
Bron: Leiden University Libraries Digital Collections [Album amicorum van Janus Dousa (1545-1604), magistraat en letterkundige].

Waar gaat het dan precies om? De Prinsenvlag bestond uit de kleuren oranje, wit, lichtblauw. Op de tekening is te zien een vlag aan de linkerkant en oordeel zelf maar…

De vlag als detail uit het boek van Jan van Doesburg.
De vlag als detail uit het boek van Jan van Doesburg.
De rode broek en sokken uit het boek van Jan van Doesburg.
De rode broek en sokken uit het boek van Jan van Doesburg.
Het vuur uit het boek van Jan van Doesburg.
Nog meer vergelijkingsmateriaal: Het vuur uit het boek van Jan van Doesburg.

Er bestaat natuurlijk altijd de optie dat je iets graag wilt zien. Zo is de vlag weer ‘raar,’ omdat de kleur blauw afwijkt. Deze is wel erg donker. Misschien was het gewoon de Statenvlag, meer niet.

Verbod op de Prinsenvlag

In 1652 volgde een verbod op de Prinsenvlag. Daarna werd oranje weer rood. Pas na 1813 zou Nederland de vlag krijgen die redelijk overeenkomt met de moderne vlag. Pas na de oorlog kregen we onze hedendaagse vlag. Die bestaat uit: helder vermiljoen, wit, kobaltblauw.

Het eerste beleg

Over de afbeelding
Het nadeel is dat er geen aparte kaarten zijn van het eerste of het tweede beleg. De kaarten van het Beleg van Leiden hebben allemaal betrekking op de periode tussen 1573 en 1574. Deze ets is gemaakt door Jan Stemmers omstreeks of na 1717. op basis van een kaart van Jan Jansz Bilhamer. De ets is onderdeel van de collectie van het Rijksmuseum sinds 1816.

Alva was niet onder de indruk

Voor de Opstandelingen was het een groot succes, de inname van Den Briel. Iemand anders was er minder van onder de indruk. Dat was de Spaanse landvoogd Fernando Álvarez de Toledo, beter bekend als Alva (1507 – 1582).

Over de afbeelding
Fernando Alvarez de Toledo (Alva). Een schilderij van Willem Key (1516 – 1568). Bron: Rijksmuseum.

Alva had hele andere dingen aan zijn hoofd. Hoe kon hij ervoor zorgen dat hij de opstandige gebieden weer onder controle kreeg, zoals hij als opdracht gekregen had van Filips II? Dat lukte aardig in alle gebieden behalve Holland en Zeeland.

Eerste gereformeerde dienst in de Vrouwekerk

Toen Leiden de kant van de Opstandelingen koos door trouw te zweren aan Willem van Oranje was dit een gevoelige klap. Na deze eed van trouw volgde een korte, hevige beeldenstorm in de stad. Dat was nadat enkele Geuzenlegers de stad introkken in 1572. De eerste gereformeerde kerkdienst hielden inwoners van Leiden in de Vrouwekerk op 20 juli van dat jaar.
Over de afbeelding
De (Onze Lieve) Vrouwekerk in 1579, getekend door Jacobus Stellingewerff. Afkomstig uit de collectie van Erfgoed Leiden. Onder de tekening is de tekst zichtbaar “nu de Walekerk 1721.” De kerk werd na de Reformatie de Vrouwekerk genoemd. Daarna werd de kerk toegewezen aan de vluchtelingen uit de Zuidelijke Nederlanden en Frankrijk en zij namen de kerk in gebruik als Waalse Kerk. Later zou een groot deel van deze gemeente emigreren naar de latere Verenigde Staten. Dit waren de beroemde Pelgrim Fathers. Nadat veel van deze Pelgrim Fathers vetrokken waren, verviel de kerk en er werden vanaf 1808 geen diensten meer gehouden. In 1837 werd het gebouw verkocht en een groot deel werd gesloopt. Op het Vrouwekerkhof zijn nu alleen nog maar de resten van de voormalige kerk zichtbaar.

Glippers nemen de wijk

Direct na deze gebeurtenissen namen de eerste katholieke inwoners, de zogenaamde Glippers de wijk. Ze ontvluchten de stad uit vrees voor geweld. Een aantal van deze Glippers keerde later terug. Er deden geruchten de ronde dat anders hun bezittingen geconfisqueerd werden. Dat bleken overigens geen geruchten. In waarschijnlijk tachtig, misschien zelfs meer gevallen, is dit uiteindelijk gedaan van personen die niet meer terugkeerden naar Leiden. Alva stond dit alles niet toe en gaf de opdracht aan generaal Francisco de Valdez (1511 – 1580) om de stad, die onder bestuur stond van eerste burgemeester Pieter Adriaansz van der Werff (1529 – 1604), weer onder controle te krijgen. Dat was de aanzet tot het eerste beleg waarmee de stad te maken kreeg.

Over de afbeelding
Een ingekleurde versie van de beroemde stadskaart uit G. Braun en F. Hogenberg, Civitatis Orbis terrarum Coloniae, 1572-1618. Bron: Erfgoed Leiden en Omstreken.

Voorzorgsmaatregelen

Het stadsbestuur hield rekening met de komst van de Spaanse troepen. Voorzorgsmaaregelen waren daarom gewenst. Zo besloot men dat de boomgaard bij het voormalige klooster St. Hieronymusdal bij de Rijnsburgerpoort web moest. Het kappen van de boomgaard voorkwam dat de Spaanse troepen er gebruik van konden maken. Huizen en schuren buiten de stadspoorten moesten verder ook verdwijnen. Zelfs tot in de verre omtrek moesten gebouwen verdwijnen. Noem het een soort razernij, om er zeker van te zijn dat de andere partij er niets aan zou hebben. Dat was de gedachte erachter. Tot op verre afstand van de stad moest bebouwing wijken. Denk dan aan de abdij van Leeuwenhorst (Noordwijkerhout) en de abdij van Loosduinen (Den Haag). Overigens, dat deden niet alleen de inwoners van Leiden. Ook de Spanjaarden maakten zich hier schuldig aan.

Over de afbeelding
Het voormalige klooster St. Hieronymusdal of Lopsen. Dit klooster bevond zich waar momenteel de de Beestenmarkt te vinden is. De kopergravure is gemaakt door C. Brouwer in 1783 en is onderdeel van de collectie van Erfgoed Leiden en Omstreken.
Over de afbeelding
Een litho afkomstig uit de collectie van Erfgoed Leiden en Omstreken waarop de boomgaarden van de Lopsen te zien zijn (onder andere). De volledige beschrijving gegeven destijds: “Caerte van de Lopsen boomgaerden genaemdt de Vrouwenboomgaert ende die Binnen boemgaert.” De litho toont de resten van het voormalige klooster en een gedeelte van de stad (tussen de Oude Vest en de Boommarkt) in de situatie zoals deze was omstreeks 1573. De basis voor de litho van T. Hooiberg was een tekening van Salomon Davidsz van Dulmenhorst die nog moest verschijnen. Het ‘Caertbouc’ zou pas in 1590 verschijnen.
Over de afbeelding
De Abdije van Leeuwenhorst. Een ets gemaakt door Abraham Rademaker in 1560, nadat de abdij verwoest was door de Spanjaarden.
Bron: Erfgoed Leiden en Omstreken.

Standaardmolens

Denk dan aan kalksteenovens, kastelen en kloosters. De enige objecten die nog zo lang als mogelijk bleven staan waren de standaardmolens. De houten molens kon men afbreken. Daarna kon men ze weer opbouwen binnen de stadsmuren. Alleen dat vergde tijd. Daarom liet men de molens liever zo lang mogelijk staan.

Over de afbeelding
Een stadsplattegrond van de stad Leiden uit 1549, die te vinden is via de website van Erfgoed Leiden en Omstreken. Het gaat hier om een stadsplattegrond die moest dienen voor een grotere kaart van Holland.

De verdedigingswerken

Over de afbeelding
Een gedeelte van de verdedigingswerken van de stad bij de Koepoort (de huidige Doezastraat), met op de voorgrond De Vliet. Zichtbaar is de toren Oisterijck of Oostenrijk (vermeld als Oostenrijck). Dit is de enige nog overgebleven waltoren van de Leidse verdedigingswerken die bewaard is gebleven nadat de verdedigingswerken in 1871 gesloopt werden. Toen werden maar liefst 32 andere torens gesloopt. De toren bevindt zich aan de Jan van Houtkade en is een verwijzing naar de landsheer van de Nederlanden, Maximiliaan van Oostenrijk (1459 – 1519). De niet meer bestaande toren Bourgondien was een verwijzing naar Maria van Bourgondië (1457 – 1482).

De verdediging van Leiden was niet al te best. De vestingwerken van de stad, die rond die tijd uit ongeveer vijftienduizend inwoners bestond, zou prima zijn geweest wanneer de belegering aan het einde van de Middeleeuwen plaats had gevonden. Uit die tijd stamde het grootste gedeelte van de verdedigingswerken nog. De rechte muren met halfronde torens waren eigenlijk niet echt opgewassen tegen kanonnen. Daarom liet het stadsbestuur vier schansen rond de stad aanleggen, die bevonden zich aan de Poelburg, bij Ter Wadding, op de Steenweg en bij Lammen.

Over de afbeelding
De verdedigingswerken van Leiden omstreeks 1574. Bron: Erfgoed Leiden en Omstreken.

De laatst overgebleven toren

De muurtoren Oostenrijk (ook wel aangeduid als Waltoren Oisterijck), gelegen aan de Jan van Houtkade, is de laatste toren die nog over is van de Leidse verdedigingswerken. De toren stamt uit de vijftiende eeuw en is vernoemd naar de toenmalige landsheer van de Nederlanden, Maximiliaan van Oostenrijk (1459 – 1519). Even verderop liggen de resten van een andere toren, Bourgondië. Deze toren was vernoemd naar Maria van Bourgondië (1457 – 1482). De foto’s zijn afkomstig uit het archief van Erfgoed Leiden en Omstreken. Waar nodig zijn kentekens van de foto’s onleesbaar gemaakt. 

De bouwtekeningen van waltoren Oostenrijk.
De bouwtekeningen van waltoren Oostenrijk uit 1952 via Erfgoed Leiden en Omstreken.
Waltoren Oostenrijk in 1985.
Waltoren Oostenrijk in 1985. Bron: Erfgoed Leiden en Omstreken. Deze foto is aangepast (nummerborden zijn onleesbaar gemaakt, telefoonnummer op bus is onleesbaar gemaakt).
Waltoren Oostenrijk in 1972.
Waltoren Oostenrijk in 1972. Bron: Erfgoed Leiden en Omstreken.
Waltoren Oostenrijk in 1972.
Waltoren Oostenrijk in 1972. Bron: Erfgoed Leiden en Omstreken.

Over de afbeelding
“Kaarte van het beleg der stadt Leyden, afgeteeckent naar een principaal, ontworpen door Joost Janszen Bilhamer; die de Spaenschen in ’t zelve Beleg voor ingenieur heeft gedient.”
Bron: Erfgoed Leiden en Omstreken.

Over de afbeelding
“Kaarte van de belegeringen der stadt Leyden-ontworpen en affgetekent door Joost Jansen Bilhamer, die de Spaenschen in ’t selve Belech voor ingenieur gedient”
Bron: Erfgoed Leiden en Omstreken.

30 oktober 1573: het begin van het beleg

Het stadsbestuur van Leiden stond onder leiding van een viertal burgemeesters: Cornelis van Noorden, Cornelis van Zwieten, Jan Halfleiden en Pieter Adriaansz van der Werff. Van allemaal was Van der Werff misschien wel de meest fanatieke bestuurder. Hij was erop gebrand om tegenstand te blijven bieden tegen het leger van Valdez. In ieder geval zolang de situatie er gunstig uitzag. Zelfs toen dit leger van Valdez op weg naar Leiden het ene succes na het andere boekte. Dat succes was hard nodig, na het verliezen die men voortdurend moest incasseren tijdens het Beleg van Alkmaar. Daar zou het beleg uiteindelijk op 8 oktober eindigen in een debacle. De Spanjaarden zouden zich terug moeten trekken uit de modder, nadat de dijken waren doorgestoken.

Over de afbeelding
Pieter Adriaansz van der Werff.
Bron: Erfgoed Leiden en Omstreken.

De opmars naar Leiden verliep eigenlijk best gunstig. Met hulp van Julian Romero (1518 – 1577) kon men naar het Rijnland trekken. Wassenaar, ‘s-Gravezande en vervolgens Maassluis, waar Marnix van Sint Aldegonde (1540 – 1598) en een onvoltooid fort tot de oorlogsbuit behoorden. Vlaardingen volgde en daarna Den Haag. Die stad viel eigenlijk vrij gemakkelijk in Spaanse handen. De inname van Delft bleek onmogelijk, waarna op 30 oktober 1573 het eerste beleg van Leiden begon.

Oprichting eigen schansen

Het oprichten van eigen schansen werd noodzakelijk bevonden door het leger van Valdez. Dan had men voldoende uitzicht op de stad. Dit gebeurde door de omliggende dorpen om te vormen tot schansen. Denk hierbij aan de dorpen Leiderdorp, Zoeterwoude, Leidschendam en Voorschoten. Voor zover dit al niet was gedaan door de inwoners van Leiden, gaf Valdez de opdracht tot het afbreken van alles aan bebouwing dat onbruikbaar was. Leiden was vanaf dat moment belegerd, behalve vanaf de zuidelijke kant van de stad. Alleen was dat wel een bijna onmogelijke route via het water (de route Gouda-Delft). Onmogelijk of niet, via deze route kon men wel berichten versturen en ontvangen.

Over de afbeelding
Don Francisco de Valdez.
Bron: Erfgoed Leiden en Omstreken.

Voldoende graan, dankzij de val van Haarlem

In de stad zelf had men niet te klagen over voedsel. De voorraden waren goed gevuld en dat was mede te danken aan het Beleg van Haarlem. Er was voldoende graanvoorraad aanwezig, omdat men verwachtte dat de stad in Noord-Holland stand zou houden. Dat bleek een misvatting te zijn. De stad viel in Spaanse handen en hierdoor had men een overschot aan graan. Dit zou van pas komen tijdens het eerste beleg van de stad. In de eerste vijf maanden van het beleg was er daarom geen tekort aan voedsel. Pas na januari begon er een tekort te ontstaan, geleidelijk aan. Speciaal daarom verschenen vlak onder de stadswallen kooltuinen. Hier zou later, tijdens de tweede belegering vooral gebruik van gemaakt worden.

In maart 1574 was het mogelijk voor burgers met een speciaal paspoort om de stad te verlaten.

Uithongeren

De tactiek bij de belegering van de stad werd anders dan die van Alkmaar en Haarlem. In plaats van gerichte aanvallen, kozen de Spanjaarden ervoor om de stad uit te hongeren. Daarvoor waren twee redenen te bedenken. In de eerste plaats had men tijdens de belegering van de twee andere steden gezien dat dit leidde tot grote verliezen. Daarnaast had men de middelen niet. Zo beschikte het leger niet over zware kanonnen. Wat hierbij al helemaal niet hielp was dat Alva in december 1573 ontheven werd uit zijn commando na een periode van zes jaar. Luis de Zúñiga y Requesens, beter bekend als Don Luis de Requesens (1528 – 1576), zijn opvolger, zou een gematigder beleid moeten voeren.

Later zou blijken dat in de praktijk daar uiteindelijk niets van terecht zou komen in de uiteindelijke beslissende fase van het Beleg van Leiden. Op dat moment, dus aan het begin van het Beleg was daarvan alleen nog geen sprake.

Het einde van het eerste beleg: de Slag op de Mookerheide

De belegering van de stad begon een tol te eisen, want de voorraden begonnen te slinken. Toch kwam er op een onverwacht moment een einde aan het eerste beleg van de stad. Ontwikkelingen op de Mookerheide hadden daar alles mee te maken.

Over de afbeelding
De Slag op de Mookerheide (14 april 1574). De ets is waarschijnlijk vervaardigd door Frans Hogenberg, tussen 1613 en 1615.
Bron: Wikimedia Commons. Het origineel maakt deel uit van de collectie van het Rijksmuseum.

In het oosten dreigde het leger onder leiding van Lodewijk van Nassau (1538 – 1574) en Hendrik van Nassau (1550 – 1574), twee jongere broers van de prins, terreinwinst te boeken en daarmee dreigde de stad Maastricht te vallen. Valdez brak het beleg van Leiden op, om zo de troepen op de Mookerheide onder leiding van Sancho d’Avila (1423 – 1583) en Bernardino de Mendoza (1541 – 1604) te ondersteunen.

Muiterij

De veldslag vond plaats op 14 april 1574 en de winst ging de Spaanse troepen. Zowel Lodewijk als Hendrik kwamen om het leven. De inzet van de troepen van Valdez was eigenlijk helemaal niet nodig geweest en het was misschien wel een ongunstige zet geweest van hem. Zijn manschappen eisten, geheel onterecht overigens, een deel van de overwinning op. Ze hadden geen deelgenomen aan de strijd. Uitbetalen was niet mogelijk, waardoor ze begonnen te muiten. Het vergde veel moeite om deze muiterij de kop in te drukken. Zodra de muiterij voorbij was, lag de focus weer op Leiden.

Domme fouten

Over de afbeelding
Gezicht op Leiden met de weilanden. De prent is vervaardigd tussen 1600 en 1699. Op het moment van het Beleg van Leiden kon men geen beroep doen op de weilanden buiten de stad, waar het vee kon grazen. Bron: Rijksmuseum.

In Leiden maakte men ondertussen een aantal domme fouten. Men besloot de voedselvoorraden niet extra bij te vullen. Ook ontsloeg men de Waalse soldaten die in de stad verbleven. Wel versterkte men enkele schansen voor het geval dat de Spanjaarden misschien toch zouden terugkeren. Inmiddels was de militaire top vervangen. Dirk van Bronkhorst (geboortedatum onbekend – 6 september 1574) werd de nieuwe militaire gouverneur van de stad. Men had de keuze om een groep Engelse soldaten toe te laten tot de stad, maar weigerde dit uit angst voor ongeregeldheden.

Over de afbeelding
Deze tekening werd gemaakt door Leonaert Bramer tussen 1606 en 1674 en toont het dorp Zoeterwoude(-Dorp) en de Lammenschans op de voorgrond. Aan de rechterkant is ook nog de bebouwing te zien, in de verte van Voorschoten. De verhoudingen kloppen niet helemaal, net zoals he t landschap. Het lijkt alsof er sprake is van een glooiend landschap. Let op de twee postduiven. Deze speelden een belangrijke rol tijdens het Beleg van Leiden, want zo kon men boodschappen versturen en ontvangen. De tekening werd in 1908 aangekocht door het Rijksmuseum.

Valdez begreep als geen ander dat men in Leiden geen hulp hoefde te verwachten uit Amsterdam als het ging om het leveren van graag. Amsterdam was nog wel trouw aan Filips II. Om ervoor zorgen dat er geen andere route voor graan beschikbaar zou zijn, besloot Valdez de aanvalsroute via het Groene Hart zou moeten verlopen. De stad Leiden was dus nog niet af van het Spaanse leger.

Het tweede beleg

Over de afbeelding
Detail van de Bilhamerkaart met de weergave van de Lammenschans. De volledige kaart is te bekijken via deze link.

De komst van de eerste soldaten

De eerste Spaanse troepen verschenen op 18 mei 1574 aan de oostelijk kant van de stad. Inderdaad, via het Groene Hart (Woerden, Alphen aan den Rijn, Zoeterwoude, Leiderdorp) was het gelukt om de stad te bereiken. Dat niet alleen, want via de Haarlemmermeer werd de stad ook ingesloten. Vervolgens gebeurde hetzelfde vanuit de richting van Schoonhoven.

Het kwam op 26 mei tot een eerste treffen tussen Leidse verkenners (Vrijbuiters) en Spaanse troepen in de buurt van Leiderdorp. De groep verkenners kwam hierbij om het leven. Nog diezelfde dag namen Spaanse troepen heel brutaal grazend vee mee dat onder de stadsmuren aan de kant van Leiderdorp te vinden was.

Eind mei 1574 werd Den Haag weer ingenomen, waar Valdez zijn hoofdkwartier opzette. Ook werd een nieuwe volgde een mislukte aanval op Delft. Alles bij elkaar was de hele omsingeling in juni voltooid. Het wachten was nu op de winter, want men hoopte dan om de stad via het ijs van de grachten te kunnen bereiken. Alles bij elkaar, door alle tactische verplaatsingen mag je stellen dat de belegering van Leiden inhield dat een groot deel van Zuid-Holland daarmee onder controle geplaatst was van de troepen van Valdez. Dit allemaal om de stad Leiden op de knieën te krijgen. Het verschil met het eerste beleg was dat er dit keer wel aanvallen over en weer plaatsvonden. Toch waren de aanvallen niet zo hevig als bijvoorbeeld tijdens het Beleg van Alkmaar. Ze concentreerden zich op bepaalde plaatsen, bijvoorbeeld de schans ten zuiden van de stad bij Lammen.

De Lammenschans

De Lammenschans zou op een later moment een bijzondere rol spelen tijdens het einde van dit tweede beleg. De schans was oorspronkelijk aangelegd door de Leidenaren zelf. Tijdens dit tweede beleg namen de Spaanse troepen de schans in. Deze schans bevond zich op een strategisch punt: waar de rivier de Vliet, de Roomburgerwatering en de Vrouwenvaart elkaar kruisten. De Roomburgerwatering kennen we vandaag de dag als het Rijn-Schiekanaal. De Vrouwenvaart is te vinden in de buurt van het huidige Polderpark Cronesteyn en de Vrouwenweg, op de grens tussen Leiden en Zoeterwoude-Rijndijk. Daar bevond zich in de buurt ook het voormalige kasteel Cronesteyn.

Over de afbeelding
Een ets uit 1825 van Kasteel Cronesteyn.
Bron: Erfgoed Leiden.

Kasteel Cronesteyn

Kasteel Cronesteyn werd door de inwoners van Leiden zelf vernietigd. Zo werd voorkomen dat de Spanjaarden er zelf wat aan zouden hebben. Later werd het kasteel weer opgebouwd, totdat het aan het einde van de achttiende eeuw definitief zou verdwijnen. Wat vandaag de dag nog rest is een niet toegankelijke binnenplaats en een gracht in Polderpark Cronesteyn.

De geschiedenis van dit kasteel, oorspronkelijk een boerderij, gaat terug tot de twaalfde eeuw. In die periode kende men deze plaats als die Brouck en als Heer Wouterswerf. De laatste naam was een vernoeming naar Wouter van Oud-Haerlem. De naam Cronesteyn is een mogelijke verbastering van het geslacht Van Cronenburg en is terug te voeren tot de zestiende eeuw.

Het gebied is niet altijd Leids grondgebied geweest. Pas in de jaren zestig werd het gebied door de aanleg van de A4 geannexeerd door de gemeente Leiden. Daarvoor was het Zoeterwouds grondgebied. Sinds 1982 is het voormalig terrein waar het kasteel gelegen was onderdeel van Polderpark Cronesteyn.  

De voormalige kasteelgracht.
De voormalige gracht van Kasteel Cronesteyn.
Bron: Wikimedia Commons/Michiel1972.
De toegang naar de voormalige binnenplaats van Kasteel Cronesteyn.
De toegang naar de voormalige binnenplaats van Kasteel Cronesteyn.
Bron: Wikimedia Commons/Biccie.
Over de afbeelding
Kasteel Cronesteyn in 1712. In de veertiende eeuw werd van een versterkte boerderij een kasteel gemaakt. Dit kasteel bevond zich aan de zuidoostelijke kant van Leiden, aan de Roomburger Watering (de huidige Vliet). Aan het einde van de achttiende eeuw, in 1787 werd besloten om het in verval geraakte kasteel te slopen. Wat nu nog rest is een oude gracht en een binnenterrein dat onderdeel is van Polderpark Cronesteyn. Dit laatste gedeelte is overigens niet vrij toegankelijk. Tot aan 1966 zou het grondgebied Zoeterwouds grondgebied blijven, pas daarna werd het Leids grondgebied. Polderpark Cronesteyn werd vanaf de jaren tachtig aangelegd. Bron afbeelding: Erfgoed Leiden en Omstreken.

Niet dezelfde schans

De schans die de Spanjaarden gebruikten als de Lammenschans was mogelijk niet dezelfde schans als van de Leidse verdedigers. Ze legden waarschijnlijk een eigen schans aan. Deze bevond zich aan de andere kant van het water. Een aanval met zes boten vanuit de stad moest de bouw saboteren. De aanval mislukte, waardoor de bouw door kon gaan. De schans was daarna gebruiksklaar.

Deze schans was niet de enige schans. Bij Leiderdorp bevond zich een grote schans (bij de Dwarswetering). Met de inname van de Voskuilschans, Poelburg en de Kwakel door de Spanjaarden, kregen zij aan de andere kant van de stad de wegen richting Rijnsburg onder controle. De inname van de Poelburg was een gevoelige klap, want hierdoor kwamen de koolvelden onder vuur te liggen. Wat niet lukte was het oprichten van een schans bij de Rijnsburgerpoort, door een tegenaanval vanuit de stad. Wel zorgde de inname van de Waddingerschans ervoor dat het waterverkeer vanuit de Rijn vanaf de andere, westelijke kant niet meer mogelijk was. De andere rivier, de Mare, was dankzij de schans de Kwakel ook onbevaarbaar geworden.

Aan de andere kant, in de buurt van Leiderdorp, lag het kasteel Rodenburg en daar lag de schans Roomburg. Deze was ook in handen van de Spanjaarden. Bij de Zijl (Broekweg) lag er dan nog een schans die daar het waterverkeer onmogelijk maakte.

De Boshuyserschans

De meest voor de hand liggende aanval op een inmiddels ingerichte schans was die op de Boshuyserschans aan de zuidwestelijke kant van de stad. Toch bleef het bij slechts een aanval. Dat kwam omdat de situatie binnen de stadsmuren na de aanval op de schans, eind juli 1574 steeds meer verslechterde. De afstand van de schans tot de stad was niet groot. De stadsmuur was daarom makkelijk om onder vuur te nemen. Andersom was dit ook mogelijk. Het stadsbestuur loofde voorafgaand aan de aanval een geldbedrag uit voor ieder Spaans hoofd dat ingeleverd werd. Ondanks de omvang van de aanval leverde het slechts twee hoofden op. Toch hield het stadsbestuur zich aan de afspraak. Geld werd uitgekeerd.

Over de afbeelding
De overzichtskaart van J.W. de Jongh uit begin twintigste eeuw. Niet alle locaties staat hier overigens op vermeld.
Bron: Wikimedia Commons.

Onrust in de stad

Mede ingegeven door de gestegen voedselprijzen nam de onrust in de stad toe vanaf eind juni. De Spaanse belegeraars die toekeken vanaf de Boshuyserschans merkten op dat het erop leek dat de stad onbewoond leek. Er vertoonde zich niemand op de stadsmuren. In mei werden de prijzen verhoogd voor dagelijkse producten als rogge, tarwe en zuivel. Ondanks de belegering lukte het desondanks schepen met voedsel van de Geuzen de stad in te krijgen in juni. Het was slechts een druppel op een gloeiende plaat.

Over de afbeelding
“In ’t Jaar 1753.” Tekening vervaardigd omstreeks 1810. Aanvankelijk toegeschreven aan Jacques Kuyper, maar dit is later in twijfel getrokken.
Bron: Rijksmuseum.

Wie was de baas?

De vraag was op dat moment wie nu echt de baas was in de stad. Was dit de militair gouverneur (Van Bronkhorst) of was dit het stadsbestuur onder leiding burgemeester van der Werff? Van Bronkhorst was degene die de opdracht gaf om als middel van afschrikking een galg op te richten voor het stadhuis. Het stadsbestuur bepaalde dat iedereen die brood wilde ontvangen daarvoor wat moest doen. Of gewoon betalen voor dit brood of werken aan de vestingwerken. Alleen de mensen die dit het hardst nodig hadden kregen van het stadsbestuur vanaf 3 juli gratis brood. Al het graan dat nog over was, moest worden overgedragen aan het stadsbestuur. Om er zeker van te zijn dat dit ook gebeurde, werden zelfs huiszoekingen verricht. Daar hield het niet bij op, want stadsbestuur wilde dat alle katholieke inwoners van de stad weg zouden gaan.

In tegenstelling tot 1572 werden de Glippers verzekerd dat hun bezittingen niet geconfisqueerd zouden worden. Wat er vervolgens gebeurde was dat vrouwen en kinderen van wie de mannen de stad ontvlucht waren, gedwongen werden om de stad te verlaten. Dit omdat hun mannen de zijde hadden gekozen van de Spanjaarden.

Alleen de Spanjaarden wilden deze Glippers niet doorlaten. Pas nadat ze zich ontkleed hadden, mochten ze terugkeren naar de stad, waarna ze weer toegelaten werden. Dit gebeurde vanaf 6 juli. Omdat er zich daarna andere ontwikkelingen voordeden, kregen die voorrang. Vanaf 10 juli kreeg de stad te maken met een pestuitbraak. Deze uitbraak zou meer slachtoffers eisen dan het voedseltekort, zo lees je via de website van Oud Leiden.

De zelfopoffering van burgemeester Van der Werff met aandacht voor de uitbraak van de pest.

Over de afbeelding
Hoewel het in dit tafereel gaat om de zelfopoffering van burgemeester Van der Werff (voorgrond), is het goed om op te merken dat de maker van deze tekening (naar een schilderij van J. van Schooten waarschijnlijk) er ook voor gekozen heeft om de pestepidemie in beeld te brengen (op de achtergrond). De tekening is gemaakt in de achttiende eeuw en is opgenomen in de collectie van Erfgoed Leiden.

Details uit de tekening over de zelfopoffering van burgemeester Van der Werff.
Over de afbeelding
Details uit de tekening over de zelfopoffering van burgemeester Van der Werff, met daarin aandacht voor de slachtoffers van de pest. De originele tekening is onderdeel van de collectie van Erfgoed Leiden en Omstreken.

Druk van buitenaf

Van buiten de stad werd door uitgeweken Leidenaren, de Glippers, de druk op het stadsbestuur opgevoerd via brieven. Een meerderheid van het stadsbestuur was inmiddels voorstander van overgave. Enkele fanatieke stadsbestuurders waren daar fel op tegen. Denk dan aan stadssecretaris Jan van Hout (1542 – 1609) en Dirk Bronkhorst. Zij konden alleen niet voorkomen dat de voedselvoorraad op begon te raken. Het brood voor de armste inwoners van de stad was op 5 augustus op. Hiervoor in de plaats kwamen de moutkoeken.

Over de afbeelding
Jan van Hout. Bron: Erfgoed Leiden en Omstreken.

In een poging om te bekijken wat er nu nodig was voor hoeveel personen werd door het stadsbestuur een volkstelling uitgevoerd. Daaruit bleek dat er binnen de stadsmuren 12.456 inwoners te vinden waren. Deze volkstelling was een perfect moment om na te gaan of er misschien nog voorraden te vinden waren. De zoektocht naar voorraden vond opnieuw plaats na 27 augustus, na het hongeroproer dat uitgebroken was onder de leden van de Vrijbuiters (de leden van ongeveer 150 vrijwilligers, die de schutterij ondersteunden). De Vrijbuiters hadden gedreigd om de stad te verlaten. Tijdens de doorzoeking werd alles dat niet binnen veertien dagen zou bederven meegenomen en verdeeld onder de armste bevolkingsgroepen van de stad. Voortaan werd bepaald dat voedsel alleen gekocht mocht worden wanneer de eigen voorraad op was.

Katten en honden

Nauwelijks een paar dagen later, op 31 augustus, was er geen groente, brood en kaas meer. Iedere dag werden tien of elf runderen geslacht, net zolang totdat alle runderen geslacht waren. Vanaf dat moment waren de paarden aan de beurt. Daarna waren het de katten en de honden, volgens het Historisch Nieuwsblad.

Vredesvoorstel en doorsteken van de dijken

Over de afbeelding
Aflegging van de eed van trouw tijdens het Beleg van Leiden. Een gravure gemaakt door Willem de Haen en onderdeel van de collectie van het Rijksmuseum. De Haen wilde hiermee laten zien dat burgers tijdens het Beleg van Leiden ook trouw zweerden aan de Prins van Oranje.

Juist op het moment dat Van Bronkhorst op zijn sterfbed lag, kwam het vredesvoorstel van Valdez binnen. Hij garandeerde dat het stadsbestuur gratie verleend zou worden. Onder normale omstandigheden zou Van Bronkhorst zich hierover moeten buigen. Hij overleed een dag nadat dit voorstel binnenkwam op 6 september 1574 aan de gevolgen van de builenpest. Om terug te komen op de vraag wie nu eigenlijk echt de baas was: tot aan zijn dood was het misschien Van Bronkhorst op militair gebied. Hij zou als militair leider moeten onderhandelen met de Spanjaarden over een eventuele capitulatie.

Over de afbeelding
Dirk van Bronkhorst op zijn sterfbed op 5 of 6 september 1574. Bron: Rijksmuseum.

Hoe groot was de kans?

De situatie in de stad was ronduit dramatisch. In de eerste plaats door het voedseltekort. Ook door de uitbraak van de builenpest. Hoe fanatiek het verzet ook was, hoe groot was de kans dat de bevolking misschien zelf de stadspoorten zou openen? Gek geworden door de pest en honger. Van der Werff nam het voorstel in overweging en dat leidde tot een hevige reactie bij de gebroeders Jan en Jacob van der Does en Jan van Hout. Als bestuurders waren zij tegen elke vorm van onderhandelen met de Spanjaarden. Als voorbeeld had men Haarlem in gedachten. Deze stad werd tussen 3 december 1572 en 13 juli 1573 belegerd en de ontknoping van dit beleg was dramatisch geweest. Ook hier speelde hongersnood een belangrijke rol.

Over de afbeelding
Hongersnood onder de Leidenaren, 1574 – Willem de Haen (1612-1614). Bron: Rijksmuseum.

Horrorverhalen uit Haarlem

Het Haarlemse stadsbestuur betaalde 25.000 gulden aan de Spaanse troepen onder leiding van Alva, waarmee de stad ontkwam aan plunderingen. Alva besloot wel dat soldaten en aanhangers van de Prins moesten boeten voor hun daden. De beulen waren zo lang bezig met de executies van de naar schatting tweeduizend personen, dat uiteindelijk maar besloten werd om mensen twee-aan-twee met de ruggen tegen elkaar vast te binden en in de rivier het Spaarne te werpen. De gebroeders Van der Does en Jan van Hout herinnerden de overige bestuurders in Leiden fijntjes aan de horrorverhalen die men gehoord had uit Leiden, waarschijnlijk. Dat deze ze niet alleen. Ze wezen de bestuurders ook op de eed van trouw die ze gezworen hadden aan Willem van Oranje. Opgeven was daarom uitgesloten.

Over de afbeelding
“Felle straffe tot Haerlem” iss de titel van deze ets van een anonieme maker die vermoedelijk gemaakt is tussen 1618 en 1624. De ets toont de terechtstellingen in Haarlem na de Spaanse inname van de stad. De ets is sinds 1881 opgenomen in de collectie van het Rijksmuseum.

Nieuwe kans

Met de dood van Dirk van Bronkhorst op 6 december 1574 diende zich een nieuwe kans aan. Jan van der Does (Janus Doesa) volgde hem op als militair gouverneur en van onderhandelen was dus geen sprake meer. Om er zeker van te zijn dat er geen kink in de kabel zou komen, stuurde Jan van Hout vervolgens aan op een schriftelijke stemming onder het stadsbestuur. Dit leidde ertoe dat het bestuur alsnog tegen onderhandelen stemde.

Met in het achterhoofd dat de schutterij harder zou moeten optreden tegen de inwoners die het misschien niet eens zouden zijn met het nog langer door laten gaan van deze situatie. Had men gekozen voor onderhandelen en uiteindelijk voor het openen van de stadspoorten, dan was dit van grote invloed geweest op een andere stad. De positie van Delft zou dan aanzienlijk verzwakt worden. Dit zag ook Willem van Oranje in en daarom stuurde hij aan op een bevrijding van de stad. Desnoods via een ultiem middel: het onbruikbaar maken van kostbare landbouwgrond. Het werd te riskant geacht om te wachten op een andere mogelijkheid. Dat was het wachten op de ondersteuning vanuit Frankrijk via de Franse hugenoten.

Bartholomeusnacht (1572)

Over de afbeelding:
Een ets van de gebeurtenissen tijdens Bartholomeusnacht in 1572.
Bron: Wikimedia Commons.

In hoeverre de gebeurtenissen tijdens de Bartholomeusnacht (23 op 24 augustus 1572) een rol gespeeld hebben bij het wel of niet kunnen rekenen op de steun van de Franse hugenoten is moeilijk in te schatten. Deze gebeurtenissen speelden zich ruim een jaar eerder af in Parijs. Het ging hier om een begin van een massale vervolging van mensen die de leer van Calvijn aanhingen in Frankrijk (de hugenoten). Hoewel dit alles begon in een nacht, zouden de gebeurtenissen zich niet alleen beperken tot een nacht. Bovendien, ze zouden niet gebonden zijn tot slechts een plaats (Parijs). Ook in andere steden kwam het tot vervolging en geweldsuitbarstingen. Van wat er nog over is aan gegevens gaat het alleen al in Parijs om 2.000 tot 3.000 doden in Parijs in 1572 (bron).

In samenspraak met Paulus Buys

Wel gebruikte Alva de gebeurtenissen in september 1572 tijdens de strijd om Bergen, de hoofdstad van het graafschap Henegouwen door Lodewijk van Nassau (1538 – 1574). Er bestond in dat jaar wel angst dat de Spanjaarden eenzelfde soort slachtpartij zouden aanrichten. Dat heeft alleen niets te maken met het ontbreken van de steun waarop Willem van Oranje rekende bij de bevrijding van Leiden in 1573. Daarom werd besloten tot het doorsteken van de dijken van de Maas en de Hollandse IJssel. Andere rivieren waren geen optie, omdat die gebieden niet in handen waren van de Opstandelingen. De beslissing nam Van Oranje niet alleen. Dit deed hij in samenspraak met Paulus Buys (1531 – 1594), de landsadvocaat van Holland, lid van de Raad van State en eigenlijk de vervanger van Willem van Oranje.

Over de afbeelding
Een prent van Paulus Buys gemaakt door Jan Frederik Christiaan Reckleben naar een originele tekening van Aert Schouman, gedrukt tussen 1851 en 1853. Deze prent is onderdeel van de collectie van het Rijksmuseum.

Paulus Buys op de lijst met Glippers

Wie waren de Leidse Glippers?

Hoe kon Paulus Buys (1531 – 1594) terechtkomen op de lijst met Leidse Glippers

Belangrijk is het om te weten wat die Glippers nu precies waren. Wanneer je sommige verhalen leest, dan ben je geneigd om te denken dat het gaat om een soort collaborateurs met de Spaanse troepen. Dat hoeft helemaal niet het geval te zijn. 

Wanneer de stad Leiden kiest voor de Opstandelingen is niet iedereen in de stad voorstander van deze keuze. Niet iedereen kiest ervoor om het katholieke geloof af te zweren. Bovendien, niet iedereen wil een einde aan de Spaanse overheersing. Daarvoor heeft men eigen motieven. Soms waren die motieven gebaseerd op angst voor het onbekende, soms was het gewoon puur zakelijk instinct. In andere gevallen was het de angst voor de Geuzen en wat die konden aanrichten in de stad die ervoor zorgde dat men het niet zag zitten om de kant van de Opstandelingen te kiezen. 

Niet iedereen die te boek stond als Glipper was ook een ‘echte’ inwoner van de stad. Sommige personen hadden zakelijke belangen in de stad of bezittingen in de stad, maar woonden elders. Bijvoorbeeld direct buiten de stad, of verder weg. 

Het stadsbestuur zat in de maag met een groep personen van wie niet duidelijk was wat de mogelijke invloed was. Er zou onrust kunnen ontstaan en er zou mogelijk sprake kunnen zijn van een ondermijning van het gezag, zo oordeelde men. Vandaar dat de Glippers de stad maar moesten verlaten. Op basis van vrijwilligheid. 

Het gevolg was dat er onroerend goed wisselde van eigenaar, zo leek het. In de praktijk kwam het erop neer dat er sprake was van een tijdelijke bewoning. Dit om te voorkomen dat het bezit ingenomen zou worden door anderen. Zo werd na een eerste oproep duidelijk dat er sprake was van een invordering van bezit, waarna Glippers terugkeerden naar de stad. Dit was niet de bedoeling. 

Wat ook niet de bedoeling was: Spanjaarden die weigerden om Glippers doorgang te verlenen. Vrouwen en kinderen die de stad verlieten werden bijvoorbeeld tegengehouden en moesten zich uitkleden en werden teruggestuurd naar de stad. 

Hoe het precies zit lees je via Historisch Leiden in kaart. Deze website komt verderop nog uitgebreid aan de orde.

Vermelding op de lijst

Er was dus een lijst met Glippers en deze bekijk je via Historisch Leiden in kaart.

Dat de naam van Buys op de lijst terechtkwam had alles te maken met zijn afwezigheid. Hij stond bekend als fel tegenstander van het beleid van Alva. Zo keerde hij zich tegen de Tiende Penning (een extra belasting van tien procent voorgesteld door Alva in 1569 en geïntroduceerd in 1571 op alle roerende goederen. Hij was sinds 1573 hoofd van de Raad van State en zou in die functie in 1575 ook een poging doen om een verbond te sluiten met de Engelsen, wat niet lukte dankzij een afwijzing door koningin Elizabeth I (1533 – 1603). Zijn aandeel in de totstandkoming van de Unie van Utrecht op 23 januari 1579 was meer succesvol. Dit mag je beschouwen als de eerste versie van de Nederlandse grondwet en een poging om Filips II te dwingen om zijn beleid aan te passen.

Het was een samenwerkingsverband van oorspronkelijk Holland, Zeeland, Utrecht, Gelre, Zuthpen en de Ommelanden (het gebied buiten de stad Groningen). Later zouden ook Amersfoort, Antwerpen, Arnhem, Breda, Brugge (en het Brugse Vrije Lier), Drenthe, Friesland, Gent en Nijmegen zich aansluiten bij deze unie. De steden Den Bosch en Leuven kozen ervoor om zich juist weer aan te sluiten bij een alternatief. Dat was de Unie van Atrecht, die gesloten werd in Arras (6 januari 1579).

Buys en Leicester

Er wordt verder wel eens beweerd dat Buys het stadsbestuur van Leiden heeft laten weigeren om een Spaans garnizoen binnen de stadsmuren te laten vestigen in 1572, voordat de stad de kant koos van de Opstandelingen. Na het Beleg van Leiden werd hij door de prins aangesteld als Heemraad van Rijnland. Na de moord op Willem van Oranje op 10 juli 1584 verliet Buys de Raad van State. In 1585 was hij adviseur van Robert Dudley, eerste graaf van Leicester (1532 – 1588), vaak gewoon afgekort tot Leicester, die als vertrouweling van Elizabeth I de Opstandelingen in de pas opgerichte Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden (1588 – 1795) tussen 1585 en 1587 van hulp moest voorzien. Deze operatie zou eindigen in een compleet drama.
Robert Dudley, eerste graaf van Leicester.
Over de afbeelding
Robert Dudley, eerste graaf van Leicester. Bron: Rijksmuseum.

Zo bleek hij een slecht militair leider te zijn, waardoor de stad Deventer in handen viel van de Spanjaarden en bestond het vermoeden dat Leicester in het geheim onderhandelingen zou voeren met de Spanjaarden, onder andere met Alexander Farnese, beter bekend als (de hertog van) Parma (1545 – 1592). Leicester werd uiteindelijk maar teruggestuurd naar Engeland door landsadvocaat Johan van Oldenbarnevelt (1547 – 1619) in 1587.

Buys als raadspensionaris

Buys had overigens een band met Leiden, want hij werd in 1561 vernoemd tot stadspensionaris van Leiden. Dit was de voornaamste adviseur in dienst van de stad. Deze titel werd toegekend door het vroedschap van de stad. Niet iedere stad kende een stadspensionaris. Alleen de steden Alkmaar, Amsterdam, Haarlem, Leiden, Delft, Gouda, Gorinchem, Dordrecht, Den Briel (Brielle), Middelburg en Maastricht kenden deze functie. Groningen en Emden kenden een soortgelijke functie. Daar was een syndicus actief.

In zijn functie als stadspensionaris trad Buys op als een tussenpersoon. Een verbindende factor tussen de stad Leiden en het gewest of soms zelfs de Staten-Generaal.

Links

Het einde van het Beleg van Leiden

Over de afbeelding
Het doorsteken van de dijk bij Berkel (het huidige Berkel en Rodenrijs, nu onderdeel van de gemeente Lansingerland) in 1574. De pentekening werd gemaakt door Leonaert Bramer tussen 1606 en 1674 en is onderdeel van de collectie van het Rijksmuseum.

De opmaat naar het Leidens Ontzet: het doorsteken van de dijken

Het was een groot risico om de dijken door te steken. Niet alleen was het een grote afstand tot de stad Leiden van waar de dijken doorgestoken werden. Er zou ook nog eens kostbare landbouwgrond onder water komen te staan en bewoond gebied zou ook onder water verdwijnen.

Lange onderhandelingen

In veel verhalen lijkt het erop alsof het een kwestie was van dijken doorsteken en daarna het vertrek van de schepen onder leiding van luitenant-admiraal van Zeeland, Louis de Boisot (1530 – 1576). Zo is het niet gegaan. In de eerste plaats gingen er lange onderhandelingen aan vooraf. Maandenlang werd hierover vergaderd door de Staten Holland. Het plan werd helemaal niet positief ontvangen. Op 30 juli 1573 volgde de uiteindelijke toestemming en daarna werd een start gemaakt met het informeren van de bevolking in de gebieden die mogelijk getroffen zouden worden. Dat bleek erg lastig te zijn, want het was onduidelijk wat er precies zou gaan gebeuren. Of het veel zin had was ook maar de vraag, want veel inwoners van de gebieden kozen ervoor om achter te blijven. Ze waren bang dat hun bezittingen ten prooi zouden vallen aan dieven.

Over de afbeelding
Leidens Ontzet gezien vanaf de Noordzeekant. Bron: Rijksmuseum.

Op 3 augustus werden de dijken doorgestoken bij Capelle aan den IJssel, IJsselmonde en Rotterdam. Vier dagen later, volgde een nieuwe oproep aan de inwoners om te vertrekken en werden de sluizen bij Rotterdam, Schiedam en Vlaardingen op 14 augustus geopend. Vervolgens werd begonnen met het doorsteken van polderdijken. Daarmee stond niets meer in de weg voor het volgende deel van de operatie. Die bestond uit het samenstellen van de vloot, die uiteindelijk Leiden moest gaan bevrijden. Er werd gebruik gemaakt van platbodems, vanwege de geringe diepte. Daarom begon men onder andere met het vorderen van korenschuiten, kaagschuiten en ponten. De vloot zou uiteindelijk bestaan uit 320 schepen, waarvan de meeste schepen bedoeld waren voor transport van voedsel.

Slag bij Zoetermeer en vertraging

De Boisot had de beschikking over ongeveer 4.000 Waalse, Franse, Schotse en Duitse huurlingen, naast de Hollandse huurlingen. Op 10 september vertrok de vloot uit Rotterdam. De eerste brief aan het Leidse stadsbestuur werd verstuurd in de nacht van 15 op 16 september met de boodschap dat de vloot eraan kwam, Men moest het nog even volhouden. Dat bleek net iets langer te duren dan gepland, want het verzet van de Spanjaarden zorgde voor een vertraging. Bij Zoetermeer werd een nederlaag geleden en moest men om de Spaanse troepen heentrekken.

Op 19 september bereikte de vloot een onbewaakte dijk in debuurt van de Noord Aa, aan de nordkant van Zoetermeer. Vanaf daar werd doorvaren te gevaarlijk geacht. Het water was niet diep genoeg. De dijk stak men wel door. Een gouden zet, al moest men nog wel wachten op de juiste weersomstandigheden. Het was flinke regenval en een zuidwester die doorvaren vervolgens mogelijk maakte door een stijgend waterpeil.

Over de afbeelding
In de nacht van 2 op 3 oktober 1574 rukken de Watergeuzen op.De prent is waarschijnlijk gemaakt door Simon Frisius voor het boek “Polemographia Auraico-Belgica,” maar nooit gebruikt. De prent is sinds 1881 in het bezit van het Rijksmuseum. Meer informatie over deze prent is te vinden via deze link.

Hergroeperen, daarna terugtrekken

Ondertussen kregen de troepen van Valdez inmiddels ook te maken met de gevolgen van de doorgestoken dijken. De legerleider zal waarschijnlijk niet blij geweest zijn, toen hij de opdracht moest geven om op 1 oktober de troepen te hergroeperen. Bijvoorbeeld richting Zoeterwoude, waar de dijken versterkt werden. De vloot van de Geuzen was ondertussen al in staat om kanonskogels af te vuren op de Lammenschans. Deze bleek onhoudbaar. Daarom werd de opdracht gegeven deze te verlaten, midden in de nacht van 2 op 3 oktober. De troepen trokken weg in de richting van Leiderdorp.

’s ochtends werd in de stad duidelijk dat de laatste schans, de Lammenschans, verlaten was. Het Beleg van Leiden was voorbij.

Wie is nu de echte ontdekker?

De bekendste Leidse weesjongen

Over de afbeelding
Het standbeeld van Cornelis Joppensz bij station Lammenschans in Leiden. Dit beeld is gemaakt door Ludwig Oswald Wenckebach (1895 – 1962). Foto: Wikimedia Commons/Biccie.

Het is nauwelijks voor te stellen dat niemand in de stad de troepenbeweging in de nacht van 2 op 3 oktober heeft gezien. Niemand behalve een jongen. Een weesjongen die de Spaanse troepen zag verdwijnen vanaf de Lammenschans richting Leiderdorp. Hij zou alleen de lichten van de fakkels gezien hebben. Wie dat was? Dat zou ene Cornelis Joppensz (1561 – 1591) geweest zijn. Alleen hoe controleer je of dit verhaal op de waarheid berust?

De status van volksheld

Joppensz is misschien wel de bekendste Leidse weesjongen. Er staat een standbeeld van hem in de buurt van Station Lammenschans, er is een jaarlijkse prijs naar hem vernoemd en tot aan 2022 was er zelfs een school in Leiden naar hem vernoemd. De jongen zou aangeboden hebben om voor een bedrag van zes gulden te gaan kijken op de Lammenschans of deze ook verlaten was en zou daarna een pot met hutspot meegenomen hebben. Hierdoor kreeg hij de status van een volksheld. Is dat alleen terecht?

Over de afbeelding
Gezicht op Leiden vanaf de Schans Lammen door Abraham Delfos naar Jan de Beijer, 1762. Bron: Rijksmuseum.

Op de website van de Universiteit Leiden (Dutch Revolt) staat dan weliswaar geen naam vermeld, maar men heeft het wel over deze Cornelis Joppensz. Lees maar eens onder het kopje Bolwerk der vrijheid. Daarmee is het alleen nog geen waarheid. Het probleem is dat heel veel mensen dit wel beschouwen als de waarheid. Joppensz stelde vast dat de schans verlaten was en nam de pot mee. Een pot met hutspot. Dus wortels, uien en aardappelen. Vandaar dat men in Leiden op of rond 3 oktober dus hutspot eet. Voordat we onszelf verliezen in dit enthousiasme, aardappelen? Daar valt wel wat op aan te merken. Eigenlijk ook op de persoon Cornelis Joppensz. Beter gezegd: op zijn rol.

Hoe zat het met de aftocht?

Voordat we verder gaan, hoe zat het eigenlijk met die aftocht van de Spanjaarden en de komst van de (Water)Geuzen? Dat stukje mag toch niet zomaar overgeslagen worden!

Inderdaad, op bevel van Valdez was de schans dus ontruimd en bij dageraad voeren de Geuzen (Watergeuzen) de stad binnen. Daar werden ze vanzelfsprekend hartelijk welkom geheten. De levensmiddelen werden in het voormalige St. Jacobsgasthuis verdeeld. Iedereen kreeg een stuk half brood, een stuk kaas en pekelharing. Wanneer je lange tijd weinig hebt gegeten is dat veel. Er wordt beweerd dat mensen stierven op 3 oktober 1574, omdat ze te veel aten, al is hiervoor geen hard bewijs te vinden. Net zo goed als het werkelijke aantal slachtoffers dat uiteindelijk het gevolg is geweest van dit Beleg van Leiden. Dit aantal varieert en het gaat om schattingen. Deze variëren tussen de twee- en zesduizend sterfgevallen. Anders dan wat je zou denken zijn de meeste inwoners niet bezweken door de hongersnood, maar door de uitbraak van de builenpest. Desondanks mag het aantal slachtoffers van de hongersnood niet onderschat worden.

Het begin van het onderzoek

Dan beginnen we nu met het onderzoek waar het echt om gaat: wie is nu de echter ontdekker? Wie heeft nu daadwerkelijk de ontdekking gedaan dat de Lammenschans verlaten was en wie nam de pot mee die omschreven werd als de Spaanse kookpot van Leiden?

Over de afbeelding
De Spaanse kookpot van Leiden, 1574. Prent vervaardigd door Abraham Delfos tussen 1741 en 1820. Opgenomen in de collectie van het Rijksmuseum sinds 1881.

Over Cornelis Joppensz is eigenlijk weinig bekend en dat is best raar voor iemand die op zo’n jonge leeftijd een belangrijke ontdekking doet. We weten wel dat zijn leven eindigde in 1591 na een steekpartij bij de Koepoort (de huidige Doezastraat). Dat is natuurlijk een tragisch einde voor iemand die zo’n belangrijke rol gespeeld zou hebben tijdens de ontknoping van het Beleg van Leiden. Hij had gezien hoe de Spaanse troepen stopten met het schieten op de schepen van de Watergeuzen en een lang lint van fakkels vertrok vanaf de Lammenschans richting Leiderdorp. Voor een bedrag van zes gulden waagde hij zijn leven, om daarna te gaan kijken of de schans inderdaad verlaten was. Mocht er nog wel iemand aanwezig zijn, dan had hij wel een smoesje. Honger had hem tot wanhoop gedreven en hem doen besluiten de stad te ontvluchten.

Gijsbert Cornelisz Schaeck

In een artikel van het Historisch Nieuwsblad van 7 april 2020 lees je meer over hoe Joppensz de schans bereikte. Het artikel is niet helemaal beschikbaar voor niet-abonnees. Daarom is niet duidelijk of in dit artikel nog een andere naam genoemd wordt. Dat zou de naam moeten zijn van iemand anders, die van Gijsbrecht Cornelisz Schaeck. Sommige bronnen noemen hem wel als de persoon met wie Joppensz samen een deel van de reis naar de schans afgelegd zou hebben, omdat Schaeck beschikte over een lange spies (een verrejager). Hiermee was het mogelijk om over onder gelopen delen heen te springen. Zo noemt deze bron Gijsbrecht Cornelisz Schaeck wel en wordt gemeld dat niet Joppensz de schans bereikt zou hebben, maar de wachtmeester. Schaeck kwam vervolgens terug met de welbekende pot met hutspot.

Een andere bron, namelijk die van het Leidse museum De Lakenhal, noemt ook Schaeck ook als de ontdekker van de verlaten schans en de pot met hutspot. Al wordt uit de tekst niet helemaal duidelijk wat nu precies de rol is geweest van Joppensz Meer hierover valt te lezen via deze link. Dat zijn al twee bronnen die dus Schaeck aanwijzen als de persoon die een belangrijkere rol speelde dan Joppensz De Leidse Canon, met de belangrijkste historische feiten, wijst ook Schaeck aan als de vinder van de pot en daarmee de persoon die vaststelde dat de schans verlaten was, zoals je kunt lezen via deze pagina.

Joppensz niet genoemd

Alleen zo herinnert men zich dat later niet. In heel veel verhalen van na die tijd is het Joppensz die genoemd wordt als de jongen die de pot vond en vaststelde dat de schans verlaten was. Bijvoorbeeld in een christelijk weekblad uit 1901 (De Vriend van Oud en Jong, woensdag 2 oktober 1901 – bron).

Over de afbeelding
Johannes le Francq van Berkhey. Let op het vertrappen van de adder. Een subtiele verwijzing naar de politieke visie van Le Francq van Berkhey. Hij was fel tegenstander van de ‘adders,’ de patriotten. Bron: Rijksmuseum.

“Vijfde Halve eeuwfeest over het Onzet der Stad Leyden…”

Dan zijn we nu aangekomen bij de familiegeschiedenis van Johannes le Francq van Berhkey (1729 – 1812). Dat deze Le Francq van Berkhey genoemd kan worden is te danken aan het terugvinden van een vermelding in weer een andere bron: “Het Vijfde Halve eeuwfeest over het Ontzet der Stad Leyden in den Jare 1574, plegtig gevierd den 3 en 4 October 1824,” geschreven door J. Roemer. In dit boek introduceert Roemer ene Willem Aalbrechtsz Berkey. Dit is dezelfde bron die ook Gijsbrecht Cornelisz Schaeck opvoert als de ware vinder van de pot met hutspot. Het gaat dan om de schrijver Jan Roemer (1769 – 1855). Zijn boek verscheen in 1824 (bron). Roemer noemt Berkhey als de jongen die in de nachtelijke uren zou hebben gezien dat de Spanjaarden zouden zijn vertrokken van de Lammenschans. De naam Cornelis Joppensz wordt in dit boek helemaal niet genoemd.

In deze bron – “De Algemeene konst- en letter-bode voor het jaar 1812” wordt Berkhey ook genoemd als de persoon die de Spanjaarden zag verdwijnen. De vraag is alleen hoe komt dan die persoon Willem Aalbrechtsz Berkey in de verhalen terecht?

“Geest der Geschriften”

De ‘boosdoener’ is in dit geval Johannes le Francq van Berkhey (ook wel: Joannes Le Francq van Berkhey). Deze Leidse natuuronderzoeker, arts, dichter en schilder schreef het boek “De Geest der Geschriften,” dat na zijn dood in 1814 gepubliceerd werd. Daarmee was het ‘kwaad’ al geschiedt, want niemand kon hem meer vragen waarom hij de naam van Willem Aalbrechtzs Berkhey opnam in dit werk. Deze Berkhey zou daarmee een van de voorouders geweest zijn van de schrijver van het boek. Of het daarmee een kwestie is van het verfraaien van de familiegeschiedenis of ordinaire geschiedvervalsing, we zullen het nooit te weten komen.

Over de afbeelding
Het boek van Roemer in de uitgave van 1824. Bron: Rijksmuseum.

Verder bergafwaarts

Vanaf dat moment zou je kunnen stellen dat het alleen maar verder bergafwaarts ging. De anders zo keurige geschiedschrijver (misschien was dat nu juist het probleem) Jacob van Lennep (1802 – 1868) maakte het erger, door ook over dit onderwerp te schrijven. Dat deed hij in het achtste hoofdstuk van “De geschiedenis van Nederland, aan het Nederlandsche volk verteld. Deel 2” (de versie aangeboden via DNB is de tweede druk uit 1880 overigens) bevat een veelvoud aan namen. Alleen wordt de ontdekking van de lege Lammenschans in algemeenheden omschreven. Van Lennep hield het op “een jongen.” Toch heeft hij in eerder werk voor verwarring gezorgd. Van Lennep heeft met een ‘blik’ of ‘bril’ uit de negentiende eeuw de gebeurtenissen misschien geromantiseerd. Of misschien zelfs over the top geromantiseerd.

Over de afbeelding
Foto van Jacob van Lennep door Maurits Verveer genomen tussen 1857 en 1868. Bron: Rijksmuseum.

“Vertellingen van vroeger en later tijd”

In “Drie jongens bij ’t Beleg van Leiden,” onderdeel van “Vertellingen van vroeger en later tijd” (eerste druk 1856) wordt een verhaal geschetst van twee jongens, Gijsbrecht Korneliszoon Schaeck, een ‚Waalse‘ katholieke jongen en Willem Aelbrechtz Berkheij, een Leidse (protestantse) jongen, van Schotse komaf. Beide jongens zouden rond de vijftien jaar zijn. Van Lennep beschrijft in zijn verhaal hoe de inspectie van de schans plaats zou hebben gevonden. Dat gebeurde niet te voet, maar met een kleine roeiboot. Het was Schaeck die vaststelde dat de schans verlaten was. De vraag is natuurlijk hoe Van Lennep erbij kwam om deze twee op te voeren als hoofdrolspelers?

Over de afbeelding
Jacob van Lennep – “Vertellingen Van Vroeger en later tijd”

Geromantiseerde versie

Dat Van Lennep precies wist wat iedereen heeft gezegd ligt natuurlijk niet voor de hand. Toch beschrijft hij tot in detail de gebeurtenissen. Weliswaar komen in het verhaal bestaande personen en gebeurtenissen voor die ook daadwerkelijk plaats hebben gevonden. Alleen het verhaal zelf mag je toch wel beschouwen als een geromantiseerde versie. Hierbij heeft Van Lennep zich laten leiden door Le Francq van Berkhey, die erg ‘optimistisch’ geweest is over zijn eigen familiegeschiedenis. Toch is daarmee de vraag nog steeds niet beantwoord. Wanneer Berkhey vervangen mag worden door Cornelis Joppensz, hoe zit het dan met zijn rol?

Er zijn veel bronnen die juist Schaeck aanwijzen als de jongen die op de schans zelf vaststelde dat deze verlaten was. Hij nam de pot met hutspot mee. Volgens de verhalen liep het met Joppensz minder goed af. Hij zou nog een poging gedaan hebben in 1588 om een baan te krijgen als schipper op een beurtschip, maar hij werd afgewezen. Wel deed hij nog een vergeefs beroep op zijn aandeel tijdens de gebeurtenissen op 2 en 3 oktober. Bij een steekpartij bij de Koepoort of de Koepoortsgracht zou hij in 1591 om het leven zijn gekomen.

Over Gijsbrecht Cornelisz Schaeck

Over de afbeelding
De persoonsgegevens van Gijsbert Cornelisz Schaeck. Meer informatie via deze link. Klik op de afbeelding voor een duidelijkere versie (vergroting).

Wat weten we over Gijsbert Cornelisz Schaeck? Hij wordt in ieder geval minder vaak genoemd dan Cornelis Joppensz, zo lijkt het. Je moet alleen goed zoeken, wil je de juiste informatie over hem vinden. Zijn naam is bijvoorbeeld te vinden op de lijst met Leidse Glippers. Dat maakte hem geen Glipper. De enige reden dat hij hierop vermeld stond had te maken met het huren van een pand aan de Nieuwe Rijn in 1574 en 1576. Dit pand was in handen van bakker Arent Lievensz. Dat was wel een Glipper.

Veel twijfel hoeft er niet te bestaan wanneer je gebruik maakt van de website Historisch Leiden In Kaart, want het staat duidelijk vermeld op de pagina over Schaeck:

“Opmerkingen: vinder van de hutspot (volgens Orlers).”

Wie was Orlers?

De vraag is alleen, wie was dan die Orlers? Dat was niemand minder dan Jan Janszoon Orlers (1570 – 1646). Orlers heeft verschillende bestuurlijke functies bekleed, waaronder die van burgemeester van de stad Leiden (1631). Alleen we kennen hem vooral van zijn werk “Beschrijvinge der stad Leyden” uit 1614, waarbij hij gebruik maakte van de aantekeningen van Jan van Hout. Het is overigens een latere druk (1641), die door anderen vooral als naslagwerk gebruikt zou worden (daarover later meer in het gedeelte over de zelfopoffering van burgemeester Van der Werff).

Over de afbeelding
Corte Beschryvinghe vande strenghe Belegheringhe ende wonderbaerlicke Verlissinghe van der Stadt Leyden in Hollandt – Jan Fruytiers.
Bron: Universität Münster.
Over de afbeelding
De derde druk van “Beschrijving der Stad Leyden…” uit 1760. Bron: Rijksmuseum.
Over de afbeelding
Beschrijving der Stad Leyden, tweede deel uit 1761. Bron: Rijksmuseum.

Waar we ook overeenstemming over kunnen hebben: iedereen die beweerd of beweerde dan Schaeck een jongen was op het moment dat de ontdekking plaatsvond heeft of had het mis. Schaeck werd geboren voor of in 1553. Daarmee was hij op 3 oktober 1574 dus 21 jaar oud. Voor alle duidelijkheid, ook zijn sterfdatum staat vermeld. Hij stierf op 25 december 1627 en was toen 74 jaar oud.

Verzinsel

Zowel Le Francq van Berkhey als Van Lennep voerden hem alleen wel op als jongen. Dat was dus in beide gevallen een verzinsel. Wil je meer bewijs, dan verwacht je dit te vinden in het werk van Orlers. Jammer genoeg staat er op de pagina geen directe link naar het werk van de schrijver. Dit boekwerk is te vinden via deze website van de Universiteit Leiden (gearchiveerde versie).

Op basis van de aangeboden gegevens via Historisch Leiden In Kaart zou je nog wel een vraag kunnen stellen of het misschien de verkeerde Schaeck zou kunnen zijn. Waarom ontbreekt een vermelding van de Vrijbuiters? Vergeet niet dat de Vrijbuiters eigenlijk gewone Leidenaren waren, die de Schutterij en het leger ondersteunden. Daarom staat dus vermeld dat hij werkzaam is geweest als bakker en lakenbereider. Die informatie staat overigens wel vermeld onder het kopje “functies,” na “huwelijken en kinderen.”

Over de afbeelding
De functies van Schaek. Klik op de afbeelding voor een duidelijkere versie (vergroting).

Wat misschien nog wel voor verwarring kan zorgen: hij werd vader van een zoon met dezelfde naam.

Over de afbeelding
Gegevens Gerrit Gijsbert Schaeck. Bron: persoonsformulier. Klik op de afbeelding voor een duidelijkere versie (vergroting).

Overlijden Gijsbert jr.

Dat was in 1575, zoals hier te zien is. Met die zoon liep het wat minder goed af, want de laatste vermelding is er een die betrekking heeft op een misdrijf. Heel veel ouder dan zijn vader werd Gijsbert jr. niet, want hij overleed op 26 november 1608. Helaas weten we (nog) niet om welk misdrijf het precies gaat, want de akte is niet zichtbaar.

Over de afbeelding
De gedwongen lening van Schaeck.Meer informatie

Met Gijsbert sr. ging het blijkbaar in 1576 financieel niet zo goed. Zo moest hij een “gedwongen lening” afsluiten in dat jaar voor een lening afsluiten voor het pand aan de Botermarkt 27/28. Dat is bijzonder, wanneer je bedenkt dat hij dit pand huurde van “Arent Lievensz backer fugitive,” oftewel een uitgeweken Leidenaar. Na 1576 was Schaeck verdwenen uit het pand. Hierna verhuisde hij verschillende malen. De laatste vermelding over zijn woonadres is die uit 1606. Het ging om het betalen van het schoorsteengeld voor het Steenschuur 001, waarvan hij de eigenaar was. De allerlaatste vermelding was de ondertrouw van een van zijn kinderen op 28 september 1607.

Over de afbeelding
De laatste vermelding van Schaeck voor zover bekend/gevonden. Bron: Erfgoed Leiden en Omstreken.

Huwelijk Gijsbert Schaeck

Van Schaeck was getrouwd met Trijntgen Adriaensdr van Brenen (1539 – 1581). Zij was eerder getrouwd met een andere Gijsbrecht, zij het dat dit zijn tweede naam was. Dat was Gerrit Gijsbrechtsz (van Haarlem) (1539 – 1559). Gijsbert en Trijntgen traden in 1575 in het huwelijk. Uit dit huwelijk kwamen zeven kinderen: Gerrit Gijsbrechtsz Schaeck (1575 – 1608), Tobias Gijsbrechtsz Schaeck (1575 – 1607), Adriaen Gijsbrechtsz Schaeck (de oude) (1576 – 1606), Niesgen Gijsbrechtsdr Schaeck (1577 – 1581), Adriaen Gijsbrechtsz Schaeck (de jonge) (1579 – 1581), Marytgen Gijsbrechtsdr Schaeck (1580 – 1581), Dirck Gijsbrechtsz Schaeck (1581 – 1641). De jongste zoon heeft aan Orlers verteld over wie de pot met hutspot vond. Daarmee is het werk van Orlers dus de meest oorspronkelijke en historisch juiste bron als het gaat om het verhaal over de gebeurtenissen op 3 oktober. Orlers schreef hierover het volgende:

Van dit wijcken en wist niemant inne noch buyten de Stadt seeckerheyt, hoe wel sy inde Stad des nachts een ghecrijsch gehoort hadden als een grof stuck gheschuts voor de Schansse gesoncken wert: dan daer was eenen Jonghen op de mueren die hadde des nachts waerghenomen dat hy wel veel lonten uyt de Schansse voorschreven sach gaen dan gheene weder inne comen, aldus beelde hy sich selven inne, gelijck oock de waerheyt was, dat de Spangiaerden heur Schansse van Lammen moesten verloopen hebben, ende heeft sulcx aenghegeven, verlof vraghende om daer te loopen, ghelijck hy dede door beloften van ses guldens, met dit decksel, soo hy daer noch Vyanden ghevonden hadde, te seggen, dat hy van honger verloopen was.

Nae dat hy nu in de Schansse geweest was, ende niemanden en vant, ende met sijnen hoet ghewinct hadde, twelckmen in de Stad noch niet en geloofde, sorghende dat hem de Spangiaerden uyt schalckheyt sulcks hadden bevolen, ende een ander met eenen Verreniager hem ghevolcht zijnde gesien wert, zijnen wech voor by de Schansse nemende na den Admirael, die hy tot den knien toe int water te ghemoet liep, was aen beyde sijden vreucht.

De vrome Capiteyn Gerrit vander Laen begaf hem terstont met den Vrijbuyters nae de Schansse tot Lammen, tot de plaetse toe daer hyt eerstmael toeghepaelt vondt, daer hy de twee eerste Galeyen met vreuchde ontfingh.

Den Admirael niet lichtveerdich zijnde in het ghelooven, hadde dese twee Galeyen voorgesonden, de welcke bevonden gelijck hun gheseyt was, te weten, de ledige Schanssen met twee stucken gheschuts, doch ghesoncken.

[Toegevoegd In 1641: Achter volghende de onderechtinghe vanden E. Dirck Gijsbertsz. Schaeck, zoo zullen wy alhier by voegen tot een gedachtenisse, dat zijne Vader Gijsbert Cornelisz Schaeck, die de eerste ofte de tweede Persoon gheweest is, die uyt de Leytsche Burghers inde Schansse van Lammen, ghecomen is, ende dat hy tot bewijs van dien, daer uytgebracht heeft een Coperen pot, met gecoockten hutspot die de Spaensche Soldaten, door Vreese verlopen zijnde daer gelaten hadde. Den zelven pot is onder zijne erfghenamen noch berustende ende zijn te dier tijden by onsen mede Burger ende mijne neef Pieter Cornelisz vanderMorsch, ghebynaemt Piero, daer op ghemaeckt de volgende twee Rijmkens, waer van het een opten selfde pot ghesneden is.

Doen Godes Hant // Dreef den Vyandt By nacht uyt Lammen,, Schans Creech Schaeck dees Pot,, riep aen Boysot, Ghy moocht over Dammen // thans.

Gijsbert Cornelisz 3. October 1574.

Het twede is van desen inhout:

Den prijs comt God, die door Boysot, Leyden, verlost, heeft: En Schaack dees Pot, in Lammen, tot Teecken met Cost, geeft.]

Conclusie

Conclusie: een jongen deed een voorstel om voor zes gulden te gaan kijken, nadat hij ’s nachts gezien had dat de Spanjaarden vertrokken. Hij werd alleen niet geloofd. Schaeck volgde hem en stelde vast dat de schans inderdaad verlaten was. Hij bracht de pot met hutspot mee als bewijs.
Dankzij Johannes le Francq van Berkhey ging de figuur van Cornelis Joppensz ‘verloren’ en werd die vervangen door Willem Aalbrechtsz Berkey en vervolgens maakte Jacob van Lennep er nog een wat spannender verhaal van door Berkhey te vervangen door Berkheij en zelfs nog een derde persoon te introduceren, ’t Leeuwtje. Al is de bijdrage van ’t Leeuwtje wat beperkt. Vervolgens is ergens in de tijd besloten dat het toch die Cornelis Joppensz moest zijn en werd de rol van Schaeck eigenlijk gemarginaliseerd. Althans, zo lijkt het. Gelukkig heeft de 3 Oktober Vereniging het inmiddels wel rechtgezet, door ook Schaeck wel te benoemen op de website. Zij het in beperkte(re) vorm. Op de pagina met de hoofdrolspelers. Alleen van Schaeck staat nergens een standbeeld, van Cornelis Joppensz staat wel een standbeeld. Dat geeft te denken.

Joppens in de archieven

Over de afbeelding
De schermafdruk van de website van Erfgoed Leiden en Omstreken met de vermelding van 5 november 1591.

Wat is er te vinden over Cornelis Joppensz in de archieven? In ieder geval niets via de eerdergenoemde website waar de gegevens van Schaeck te vinden zijn. Daarom begint de zoektocht in de personendatabase van Erfgoed Leiden en omstreken. De eerdergenoemde website is een initiatief van Historisch Leiden in samenwerking met Erfgoed Leiden en zou gegevens op moeten halen uit de personendatabase, zou je denken. Toch verloopt dit proces blijkbaar niet helemaal goed. Vandaar dus een zoektocht via de website van Erfgoed Leiden en omstreken zelf. Dat is mogelijk via deze pagina. De zoektocht op de voornaam Cornelis en de achternaam Joppenszoon levert niets op. Een zoektocht op de voornaam Cornelis en de achternaam Joppensz wel.

Crimineel vonnisboek

De laatste vermelding dateert uit 1591. Dat jaartal wordt door verschillende bronnen genoemd als het sterfjaar van Joppensz Het gaat om een aantekening in het crimineel vonnisboek van 5 november 1591. Hiermee hebben we ook een exacte sterfdatum van Joppensz Als bijzonderheden worden genoemd: “Stoff. overschot: Gestorven aan de hem toegebrachte verwondingen.” Als beroep wordt vermeld dat Joppensz werkzaam was als waard. Een aantal jaar daarvoor was hij in het huwelijk getreden (10-10-1587) met Marijtgen Arentsdr, zoals te zien is op deze pagina. Op dat moment was zijn beroep schippersgezel.

Over de afbeelding
De akte van ondertrouw tussen Cornelis Jopppens en Marijtgen Arentsdr. Meer informatie is beschikbaar via Erfgoed Leiden en Omstreken.

Eerste vermelding

De eerste vermelding in de gegevens is uit 1585 en heeft betrekking op een notariële akte van notaris Willem Claes van Oudevliet. De bijzonderheden van deze notariële akte, eigenlijk een verklaring: “Verklaring ten verzoeke van Cornelis Bouwensz over een gesprek met zijn buurman Florijs Joppensz” Hierbij staat Cornelis Joppensz, van beroep schipper, als geregistreerde. Hoewel niet duidelijk is wat precies de reden is voor het opstellen van deze verklaring is dit toch wel belangrijk. De aanname dat Joppensz afgewezen zou zijn voor een functie als schipper omstreeks 1585 lijkt dus niet waar te zijn. In het laatste bericht wordt een beroep als waard vermeld. In dit stuk wordt vermeld dat hij werkzaam was als schipper. Dat geldt dus ook voor de huwelijksregistratie uit 1587. Meer over deze huwelijksregistratie is ook te vinden via OpenArchieven.nl.

Een zoektocht via OpenArchieven.nl op Cornelis Joppensz levert elf resultaten op. Daar zit niet de informatie tussen waar je naar zoekt, want een exacte geboortedatum ontbreekt. Bovendien, het gaat hierbij niet alleen om de Cornelis Joppensz. Het valt en staat overigens welke naam je gebruikt, want soms is er sprake geweest van een andere naamsvermelding. Met deze gedachte, maakt dit een zoektocht wel ingewikkeld. Neem bijvoorbeeld dit overzicht, dat te vinden is via de eerdergenoemde website Historisch Leiden in Kaart. Het gaat hier om het adres Willem Daniël Cloostersteeg 12.

Veertien- of vijftienjarige jongen

Daar woonde volgens een volkstelling in 1581 ene Cornelis Joppenz. Van beroep metselaarsknecht en schipper. Klik je op de vermelding, dan zie je dat het gaat om een persoon uit 1561. Dat is de vermoedelijke Cornelis Joppensz. Wanneer je weer bedenkt wat Jacob van Lennep over hem schreef, dat het ging om een veertien- of vijftienjarige jongen, dan klopt dit dus niet. Tijdens het Beleg van Leiden was Joppensz dus dertien jaar oud.

Over de afbeelding
De gevonden gegevens van Joppensz (met alleen een Z) via Historisch Leiden in Kaart.

Willem Aalbrechtsz Berkey in de archieven

Over de afbeelding
De gevonden resultaten op basis van de zoekopdracht Berkhey via Erfgoed Leiden en Omstreken. Omdat er ook resultaten naar voren komen van nog levende personen of personen die korter dan vijftig jaar geleden overleden zijn, is besloten het volledige overzicht van de eerste pagina niet te tonen. In totaal worden er vier pagina’s aan vermeldingen gevonden.

Dan Willem Aalbrechtsz Berkey, de voorvader van Johannes le Francq van Berkhey. Heeft deze Willem überhaupt bestaan of gaat het om een naamsverwisseling? In het verhaal van Le Francq van Berkhey komt Schaeck wel aan bod, maar is Joppensz helemaal weggelaten, zo lijkt het. Een eerste zoekopdracht via de website met Historische gegevens over personen en percelen levert niets op. Zelfs niet wanneer je verschillende opties gebruikt als het gaat om de achternaam. De naam Le Francq van Berkhey komt wel regelmatig terug en wel via de gewone website van Erfgoed Leiden en omstreken (bron).

Het kaartspel in Museum de Lakenhal

In de collectie van Museum De Lakenhal bevindt zich een spel kaarten dat afkomstig zou zijn van deze Willem. Dat is te zien op de achterkant van de doos. Het is niet zeker of dit ook daadwerkelijk zo is, want de tekst is later toegevoegd. Je kunt dit voorwerp online bekijken via deze pagina. Vanwege auteursrecht mogen er geen foto’s getoond worden op deze website.

Over de afbeelding Twee door Johan van der Does buitgemaakte musketten, ets was afkomstig uit de collectie van Johannes le Francq van Berkhey. Bron: Rijksmuseum.

Dan nu over een andere museumcollectie. Die van het Rijksmuseum. In die collectie bevindt zich een tekening die dateert uit de periode tussen 1772 en 1774. Het gaat om een tekening die ooit in het bezit was van Le Francq van Berkhey. Op de tekening zijn twee musketten te zien. Dit zijn twee musketten uit de collectie van Johan van der Does. Hij maakte de wapens buit op de schans die door de Spanjaarden verlaten was. Althans, dat beweerde Le Francq van Berkhey. Of het ook echt overtuigend bewijsmateriaal is valt te betwijfelen. 

Wat wel duidelijk is: deze pagina van het Rijksmuseum is interessant. Hierop is de welbekende pot te zien en kijk eens goed naar de naamsvermelding. Daarop is niet de naam van Berkhey te zien, maar die van Schaeck. De afbeelding wordt overigens aangeboden via Rijkstudio.

Over de afbeelding
Beschrijving van het Rijksmuseum: “De Spaanse kookpot van Leiden, 1574
Afbeelding van de Metaale-Pot, welke ten tyde van de Spaansche Belegering der Stadt Leyden, uit de Lammen-Schans by Nacht in de zelve Stadt is in-gebragt door Gijsbert Corn. Schaeck, 3 Oct. 1574 (titel op object).” (als titel)
“De Spaanse kookpot die op de ochtend van 3 oktober 1574 van het Leids ontzet in de Lammenschans gevonden is met een restje hutspot erin. Met maatstok. Getekend in de vorm van een penning, met op de achterkant de inscriptie die op de pot staat.” (als omschrijving). Het is niet bekend wie de maker van deze tekening is. Wel is de tekening gedateerd van na Leidens Ontzet (tussen 1800 en 1899).

IJ in plaats van Y

De enige vermelding van ene Willem Berkheij (let op ij) is die van 21-02-1691. Dat is ruim na Leidens Ontzet en het is maar de vraag of dit familie was van Le Francq van Berkhey. Dat de naam eindigt op ij wil niets zeggen, want in sommige vermeldingen wordt zijn naam ook vermeld met ij in plaats van een y. De vermelding is hier terug te vinden. De zoekperiode werd ingesteld op 1450 – 1700. Wanneer je gaat zoeken op de naam Berkhey in deze periode komen er geen vermeldingen met de voornaam Willem voor, zoals je hier kunt zien.

In het verhaal van Roemer

Prima, maar hoe zit het dan met het bewijs dat Roemer opvoerde in “Het Vijfde Halve eeuwfeest over het Ontzet der Stad Leyden in den Jare 1574, plegtig gevierd den 3 en 4 October 1824“? De link verwijst naar alle vermeldingen naar het woord Berkhey in de tekst. Dat zijn er in totaal veertien. De eerste vermelding is die op pagina 28, waar Roemer de lezer laat weten wie ging kijken op de Lammenschans. Achter de naam Willem Aelbrechtsz Berkhey staat een kruisverwijzing vermeld en Roemer verwees naar “De Geest der Geschriften” van Le Francq van Berkhey. Roemer vermeldde wel dat de Leidenaren vraagtekens plaatsten bij de betrouwbaarheid van de waarnemening en daarom ging een groep onder leiding van “de moedige VAN DER LAAN” kijken.

In “Bijlage G” van Roemer’s boek wordt een overzicht gegeven van de tentoonstelling die te zien was tijdens het vijfde halve eeuwfeest op het gemeentehuis van Leiden. Daar was ook de zilveren penning te zien die uitgereikd was “door den Magistraat van Leyden vereerd aan WILLEM AELBRECHTSZ BERKHEY geboren Burger der Stad, ter zake van hem gedurende het Beleg bewezene diensten zijnde eene ruitvormige noodmunt, geslagen op den stempen onder N. 37. vermeld, waarop ter wederzijde is gesneden: VERDIENT Willem Aelbrechtsz. Berkhey; zijnde deze door hem en zijne nakomelingen gedragen, thans behoorende aan J. van der Post, te Leyden.”

Overige aantekeningen in het boek

De overige aantekeningen in het boek van Roemer hebben allemaal betrekking op Johannes le Francq van Berkhey. Als het om de noodmunt gaat werd eerder al duidelijkheid gegeven in een ander boek: “Leidens Belegering en Ontzet in 1573 en 1574, naar de oorspronkelijke stukken en bescheiden,” geschreven door D. Noothoven van Goor in 1853. De munt zou volgens deze schrijver uitgereikt zijn aan Berkhey vanwege een andere verdienste, namelijk het controleren of een andere schans verlaten was. Dat was de schans in Leiderdorp. Daarover meer in het volgende gedeelte, over ’t Leeuwtje.

Wat er misschien gebeurd zou kunnen zijn: Le Francq van Berkhey heeft zijn familiegeschiedenis wat ‘overdreven.’ Misschien is er zelfs sprake van geschiedenisvervalsing.

De moeilijkste van allemaal: 't Leeuwtje

Over de afbeelding
De voorkant van het boek “Leidens Belegering en Ontzet in 1573 en 1574 naar de oorspronkelijke stukken en bescheiden” van D. van Noothoven van Goor uit 1853.
Bron:Google Boeken.
Met deze namen, Van Schaeck, Joppensz en Berkhey (of Berkheij) zijn we er eigenlijk nog niet. Van Lennep noemt in zijn “Drie jongens bij ’t Beleg van Leiden” een derde jongen. Dat is ’t Leeuwtje. Dat is een bijnaam voor iemand die zich voorstelt als Roelof Arentsz. Hoewel hij niet betrokken is bij het vaststellen dat de schans verlaten is, moet toch even benoemd worden hoe het precies zit met deze Arentsz. Van Lennep laat het hem zelf zeggen:

"Ik heet Roelof Arentsz., bijgenaamd ’t Leeuwtje,” antwoordde de knaap: „en behoor bij het vendel van den Kapitein Baselot."

Later legt hij uit dat hij weliswaar geboren Leidenaar is, maar dat zijn moeder werkzaam was als zoetelaarster. Dat is een ander woord voor marketentster, waarmee men een vrouw aanduidde die drank en voedsel verkocht aan soldaten. Dat deed ze met toestemming van de graaf van Egmond. Laten we er even van uitgaan dat Van Lennep hiermee Lamoraal van Egmont (1522 – 1568) bedoelde, dan gaat het om een van de belangrijkste personen uit de Nederlandse Opstand. Samen met Filips van Montmorency (1524 – 1568), de graaf van Horne, werd hij door Alva beschuldigd van verraad. De twee werden op 5 juni op de Grote Markt in Brussel onthoofd.

Over de afbeelding
De arrestatie van de graven van Horne en Egmont door Alva. Bron: Wikimedia Commons.
Over de afbeelding
De terechtstelling van de graven van Horne en Egmont op 5 juni 1568 op de Grote Markt in Brussel. Bron: Wikimedia Commons.

Opdracht voor 't Leeuwtje

Van Lennep introduceert in de dialoog waarin ’t Leeuwtje zichzelf voorstelt ook nog even een andere belangrijke persoon, de voorman of hopman van de Vrijbuiters: Andries Allertsz. Allertsz kwam in mei 1574 om het leven bij een verkenningsoperatie toen het tweede beleg van de stad begon, zoals hier te lezen valt. Van Lennep maakte er opnieuw een potje van, door te stellen dat Allertsz op 23 mei om het leven zou zijn gekomen. Dat is niet juist, dat was in de nacht van 25 op 26 mei 1573. Daarna kreeg ’t Leeuwtje van zijn opvolger, Jan van der Does (ook wel Janus Dousa/Douza, 1545 – 1604) de opdracht om een holle kogel naar Delft te brengen, met daarin een boodschap voor de Prins.

Dit lukte hem, maar op de terugweg werd hij in de kraag gevat door Spaanse troepen. Berkhey probeerde hem nog vanuit de stad te hulp te schieten met een roeiboot. Dit was tevergeefs. Dit alles vond plaats in de buurt van de Lammenschans, waar ’t Leeuwtje verhoord en gemarteld werd. Tijdens een vluchtpoging werd hij in de rug geschoten. Hierdoor kwam hij om het leven.

Over de afbeelding Jan / Johannes van der Does / Janus Dousa. Collectie van het Rijksmuseum.

Rommeltje

Dat is de geschiedenis volgens Van Lennep. Al eerder is gebleken dat hij er een rommeltje van heeft gemaakt, dus waarom zouden we dit als de waarheid aan mogen nemen? De naam komt in ieder geval als Roelof Arentsz niet voor in de personendatabase. Wel komt er een vermelding voor van ene Roelof Arents. Deze persoon is lang na de bevrijding van Leiden geboren, namelijk in 1662. Om heel eerlijk te zijn: verder zoeken is zinloos, want er is simpelweg geen Leeuwtje. Is het niet heel ’toevallig’ dat de bijnaam van Arentsz ’t Leeuwtje is? Voor iemand die zoveel details geeft als Van Lennep is het toch op z’n minst merkwaardig te dat er geen reden wordt gegeven waarom Arerntsz deze bijnaam kreeg. Dat niet alleen, neem nu de introductie van de andere twee:

"Wanneer menschen, groot of klein, zich tot het een of ander doel vereenigen, dan kiezen zij zich doorgaans een of meer hoofden of leidslieden: en zoo hadden zich ook weldra de beide vechtende partijen elk een aanvoerder gekozen: de Roomschgezinde jongens zekeren Gijsbrecht Korne-liszoon Schaeck, een dikken, stevigen krullebol, zwart van haar en wenkbrauwen, met een breeden platten neus, een frissche gezonde kleur, een wijden mond, van hagelwitte tanden voorzien, en een paar groote heldere, vroolijke blauwe oogen:—de Protestanten zekeren Willem Aelbrechtz Berkheij, of Barkeij, een knaap, wiens ouders van Schotsche afkomst waren. Deze knaap had wit blond haar en lichtbruine oogen: zijne trekken waren regelmatig en fijn, en, hoezeer zijn gelaat mager en bleek, ja eenigszins van de kinderziekte geschonden was, had hij over ’t geheel een innemend voorkomen. Beide knapen waren ongeveer van gelijken leeftijd, tusschen de veertien en vijftien jaar; Schaeck muntte meer uit door lichaamskracht en kloekheid; Berkheij door behendige vlugheid en schrander overleg. Schaeck was een bol in ’t kaatsen en kegelen; Berkheij had zijn gelijke niet in ’t knikkeren en balgooien. Schaeck was sterk als een stier en wist stompen en stooten te geven, die iemand omver deden tuimelen; Berkheij was glad als een aal en volleerd in de kunst van zijn weerpartij ’t beentje te lichten. Nu ging er bijna geen dag om, of de twee partijen waren handgemeen, en hunne ouders, in stede van zulks te verbieden, lieten hun stil hun gang gaan, zoo zij hun dwaasheid niet nog aanmoedigden."

Boodschap

Arentsz wordt niet zo uitvoerig beschreven, terwijl hij toch wel een belangrijke rol speelt in het verhaal. Hij brengt de boodschap over aan Van Oranje en wordt daar warm welkom geheten. Zelfs de details van zijn marteling worden toch wel duidelijk beschreven:

"Wat den armen Arentsz. aangaat, ik wil het lot dat hem trof niet uitvoerig beschrijven. De omstandigheid, dat door zijn tegenwoordigheid van geest de brief, waarmede hij belast was, hun ontgaan was, verdubbelde de woede der Spanjaarden. Binnen de schans te Lammen gesleept, onderging hij een kort verhoor, waarbij hij volstandig weigerde te antwoorden op de hem gedane vragen; daarna werden hem, op last van den bevelvoerenden Hopman, zonder deernis met zijn jeugd, met de wreedheid, aan die tijden en toenmalige krijgsmanier eigen, neus en ooren afgesneden, en toen werd hij aan een van zijn teenen opgehangen. Gauw als water klom hij tegen zijn eigen been omhoog, doch werd nu door zijn beulen doorschoten. Zijn treurig lot werd door Van der Does in treflijke Latijnsche verzen herdacht."

Hoe kan het dan dat Arentsz er ‘ineens’ bij kwam? In het verhaal van Le Francq van Berkhey wordt hij niet genoemd. Wel in een andere bron. Wellicht heeft Van Lennep zich hierdoor laten leiden? Misschien was het door Cornelis Fogteloo (1841 – 1883), die schreef over de Nederlandse geschiedenis. Niet alleen over het Beleg van Leiden. Hij schreef ook over het Beleg van Alkmaar. Net zoals Van Lennep, was dit niet altijd even historisch correct. Zo beschreef hij in het boek “Leidens Nood en Ontzet in 1574” uit 1874 het verhaal van ene Jan, die wist te voorkomen dat zijn vader neergestoken werd door een Spanjaard. Dit leidde uiteindelijk tot zijn eigen dood.

De opties

Een andere optie is dat Van Lennep zich heeft laten leiden door wat Roemer (zie het eerdergenoemde boek (“Het Vijfde Halve eeuwfeest over het Ontzet der Stad Leyden in den Jare 1574, plegtig gevierd den 3 en 4 October 1824“) schreef over de ontknoping van het beleg? Even tussendoor, wat bezielde de beste man om voor deze titel te kiezen? Hij was overigens niet de enige, zoals je hebt gemerkt (en nog gaat merken): Men was nogal van de lange titels. Dat geldt ook voor het boek “Leidens Belegering en Ontzet in 1573 en 1574, naar de oorspronkelijke stukken en bescheiden” van D. Noothoven van Goor (1853). Met de voorkant van dit boek begon dit deel. Over dit boek hoeft geen vraag te bestaan of Van Lennep zich heeft laten leiden door dit boek, de schrijver is hier duidelijk over:

"Vooraf echter moet ik u waarschuwen, dat ofschoon mijn verhaal, wat de hoofdzaken betreft, niet van de historische waarheid zal afwijken, ik echter enkele omstandigheden van luttel gewicht uit mijn verbeelding heb bijgebracht, om daardoor aan mijn vertelling meer kleur en ronding te geven:—waarom ik u dan ook aanraad, later bij onze geschiedschrijvers of bij voorbeeld in het belangrijke boekje, getiteld: Leidens belegering en ontzet in 1573 en 1574 (te Leiden bij D. Noothoven van Goor, 1853) de geschiedenis nog eens aandachtig na te lezen: gij zult dan vanzelf gewaar worden, wat in mijn vertelling waar is, en wat waar kon wezen."

Het is lastig om het boek van Noothoven van Goor als zuiver historisch te beschouwen. Natuurlijk gebruikte deze schrijver het werk van schrijvers als Fruytiers en Orlers als basis. Wie deed dat eigenlijk niet? Ook gebruikte hij verschillende documenten en stukken die bewaard zijn gebleven uit die tijd, zo blijkt uit verwijzingen in het boek. Toch zitten er wel erg veel aanhalingstekens in de tekst, wat de suggestie wekt dat het in sommige gevallen gaat om authentieke citaten of gesproken teksten. Dat hoeft helemaal niet zo te zijn of te zijn geweest. Dat maakt het boek overigens geen onbetrouwbaar boek.

Geen ooggetuigenverslag

Het blijft alleen een intepretatie van de gebeurtenissen. Het is geen ooggetuigenverslag, geen waarheidsgetrouw verslag uit die tijd. Dat waren de werken van Fruytiers en Orlers overigens ook niet. Het verschil is alleen: deze boeken werden uitgegeven in een periode waarin het Beleg van Leiden en het Leidens Ontzet nog verteld kon worden door personen die het meegemaakt hadden. Dat was in de tijd van Noothoven van Goor niet meer het geval.

Wat schreef Van Noothoven van Goor over de ontdekking? Het nadeel is dat het boek dat aangeboden wordt via Google Boeken lastig te ‘linken’ is. Vandaar een schermafdruk van de pagina die in dit geval belangrijke informatie toont, pagina 186:

Pagina 186 uit "Leidens Belegering en Ontzet in 1573 en 1574, naar de originele stukken en bescheiden."

Over de afbeelding
Pagina 186 uit “Leidens Belegering en Ontzet in 1573 en 1574, naar de originele stukken en bescheiden.”

“Dat deze jongen, gelijk Ds. Roemer, bl. 28 meent, Willem Aelbrechts Barkhey zou geweest zijn, is niet waarschijnlijk, en wordt door het hem aangehaalde nummer van den Catalogus niet bevestigd. Barkhey werd met een zilveren penning belood voor de in het beleg door hem bewezen diensten (zie no. 30), maar deze schijnen van een vroegere dagtekening, verg. no. 112 en 113; ook was hij een der eersten in delegerplaats en schans te Leiderdorp, waar hij tatokkaarten meebracht, zie no. 115 en no. 129.

Berkhey of Barkhey?

Berkhey of Barkhey, het gaat om dezelfde persoon. Het komt erop neer dat Van Noothoven van Goor niet meeging in het verhaal van Roemer en Le Fracq van Berkhey. Voor Van Lennep was dat overigens geen beperking.

Over de afbeelding
G.J. (Gerardus Johannes) Bos, De Lammen-Schans. Een litho in kleur, gedrukt door P.W.M. Trap (met het adres van D.J. Couveé). Afkomstig uit een serie van veertig platen uit 1859 – 1860. Bron afbeelding: Erfgoed Leiden en Omstreken.

Het probleem is eigenlijk het volgende: in een bepaalde periode is men gaan schrijven naar een bepaald tijdsbeeld. Er bestond een bepaalde behoefte aan het verheerlijken van de (vaderlandse) geschiedenis. Daarbij maakten de schrijvers gebruik van bestaande literatuur en verzonnen er zaken bij. Neem nu Roemer bijvoorbeeld. Over het onderwerp heeft hij meer geschreven dan alleen dit boek. De voorbeelden bekijk je via de website van de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren, dus maak maar een keuze. Niet alles is gebaseerd op de waarheid. Er blijven voldoende vraagtekens staan hoe het allemaal zo is gelopen en waarom bepaalde personages geïntroduceerd werden. Deze boeken hebben ertoe bijgedragen dat er een soort ‘ruis’ is ontstaan. Waarbij waarheid en fictie verweven zijn. Soms worden dingen dus verteld op een manier waarop ze niet hebben plaatsgevonden.

Klaar?

Zijn we daarmee klaar? Eigenlijk niet. Over het Beleg van Leiden valt veel te vertellen…

Het misverstand over hutspot

Over de afbeelding
Hutspot volgens modern recept. Foto gebaseerd op: Wikipedia/Takeaway

Worrels, uien en...

De eerder besproken Spaanse pot met daarin hutspot is ook wel een ‘dingetje.’ De inhoud bestond uit wortels, uien en aardappelen, nietwaar? Heel leuk, totdat je eens goed gaat nadenken over de introductie van de aardappel in Europa en in Nederland. Dat de aardappelplant vandaag de dag groeit in ons land was niet altijd het geval en zeker niet in de zestiende eeuw.

Over de afbeelding
Koningin Juliana in Leiden in 1974 tijdens de gezamenlijke hutspot maaltijd. Foto Rob Mieremet (Anefo). Foto afkomstig uit het Nationaal Archief.
Over de afbeelding
Prinses Beatrix tijdens de gezamenlijke hutspot maaltijd in 1974. Foto: Rob Mieremet (Anefo). De foto is onderdeel van het Nationaal Archief.

De introductie in Europa

Dat de aardappelplant in de zestiende eeuw al wel geïntroduceerd was zegt eigenlijk nog niet veel over de consumptie en al helemaal niets over de massaconsumptie. Men zag in het begin vooral de plant en bovendien werden de eerste Europese planten op bijzondere plaatsen geteeld. Aan het Spaanse hof (1565). Pas aan het einde van de zestiende eeuw werd de aardappelplant naar de Noordelijke Nederlanden gehaald. Leiden speelde hierbij een belangrijke rol, want de plant werd door Carolus Clusius (Charles de l’Écluse, 1526 – 1609) naar Leiden gehaald. In 1593 werd de aardappelplant in een wel heel bijzondere tuin gepland. Dat was de tuin van de universiteit: de Hortus Botanicus. De stad kreeg in 1575 een universiteit toegewezen en de Hortus Botanicus zou daar later aan toegevoegd worden. Vandaag de dag is deze Hortus Botanicus er nog steeds en je kunt deze nog steeds bezoeken.

Massaconsumptie

In de zestiende eeuw, dus tijdens het Leidens Ontzet, was er geen sprake van massaconsumptie van aardappelen. Dat was pas veel later het geval. Denk dan aan de negentiende eeuw. Daarom kon de Spaanse pot, zoals de gevonden pot op de Lammenschans genoemd werd, onmogelijk bestaan uit een recept van wortels, uien en aardappelen. In plaats van aardappelen werd daarom pastinaak gebruikt. Dat is namelijk het oorspronkelijke recept van (de) hutspot. Met de komst van de aardappel als vervanger voor pastinaak zou het hutspotrecept aangepast worden.

Dan rest er nog een vraag. In de pot zou ook vlees gevonden zijn. Welk vlees zou dit dan zijn geweest? Kenners weten het zeker: dit moet klapstuk geweest zijn. Klapstuk, dus runderborst, is stoofvlees. Helemaal zeker is het niet, want het zou ook gerookte spek geweest kunnen zijn, dat van oudsher ook gecombineerd wordt met hutspot. Zeer onwaarschijnlijk is de kans dat het gaat om (een bal) gehakt. Hoe groot was de kans dat de soldaten op de schans gehakt konden bereiden?

Haring en wittebrood

Over de afbeelding
Haringen in een visnet door Albert Flamen (1664). Bron: Rijksmuseum.

Wat brachten de Geuzen mee?

Nu we toch zo bezig zijn met eten, laten we het dan ook nog even hebben over haring en wittebrood. Harin en wittebrood zijn sinds 3 oktober 1574 ook verbonden met de stad Leiden. Deze twee etenswaren werden meegenomen door de Watergeuzen.

Over de afbeelding
Simon Fokke’s prent van de aankomst van de Watergeuzen in Leiden. Let op het goedgevulde schip. Deze prent is vervaardigd in 1776 en maakt sinds 2006 onderdeel uit van de collectie van het Rijksmuseum.

Exportproduct

Laten we daar dan ook maar meteen duidelijk over zijn. De haring en het wittebrood op 3 oktober vandaag de dag is anders dan wat men in 1574 at. Sterker nog, dat harinkje dat je vandaag de dag koopt bij de visboer of de haringkar is echt anders dan de haring die werd meegenomen door de Watergeuzen. Zij namen pekelharing mee en dat was een product dat tot na de Tweede Wereldoorlog een belangrijk Nederlands exportproduct is geweest. Rond de tijd van het Leidens Ontzet kwam deze export eigenlijk net opgang. De voornaamste afzetmarkten zouden Duitsland en landen in Oost-Europa worden.

Door de haring sterk te zouten in vaten, bleef de haring langer goed. Eigenlijk was dit bedoeld voor lange tochten op zee, om bederf te voorkomen of om ervoor te zorgen dat de vangst juist langer goed bleef omdat men langere tijd op zee bleef, voordat men terugkeerde naar het land. Verwar pekelharing trouwens niet met zure haring.

Over de afbeelding
Een foto van het uitdelen van de haring uit 1949 met op de foto Commissaris van de Koningin in Zuid-Holland, mr. L.A. Kesper en burgemeester jhr. mr. F.H. van Kinschot van Leiden. De foto is gemaakt door Ben Merk (Anefo) en is onderdeel van het Nationaal Archief.

'Gewone' haring

Tegenwoordig eet je dus op 3 oktober ‘gewone’ haring. Dezelfde haring die je kent van het ‘haringhappen.’ In combinatie met witbrood. Daarover gesproken: witbrood was in die tijd wel duurder dan bruinbrood. Daarom is het logischer dat het brood grauwwit was. Dat had te maken met de samenstelling van het brood. Je spreekt formeel niet over witbrood, maar over wittebrood in dit geval.

Over de afbeelding
Het uitdelen van haring en wittebrood in 1913 in de Waag. De foto is gemaakt door Vogt & Peets en is onderdeel van het Nationaal Archief.
Over de afbeelding
Het uitdelen van haring en wittebrood in 1952. Foto: Harry Pot (Anefo). Bron: Nationaal Archief.

Het lichaam van Pieter Adriaansz van der Werff

Over de afbeelding
“De zelfopoffering van Burgemeester Van der Werff” door Mattheus Ignatius van Bree (1773 – 1839).
Van Bree maakte er wel een rommeltje van: zo moet de kerk op de achtergrond de Hooglandse Kerk voorstellen. Die is alleen niet zichtbaar vanaf het standpunt waar Van der Werff gestaan zou moeten hebben, voor het stadhuis.
Bron afbeelding: Wimedia Commons.

De zelfopoffering van Burgemeester Van der Werff

De hoeveelheid prenten, tekeningen en schilderijen met als onderwerp Pieter Adriaansz van der Werff is niet te tellen. Iedere kunstenaar heeft er een eigen interpretatie aan gegeven. Volgens de ene kunstenaar stond Van der Werff op een plein, omringd door een wanhopige menigte, volgens een andere kunstenaar gewoon in een kamer of hal. De kunstuitingen hebben een overeenkomst: Van der Werff is erop te zien, nadat hij aangekondigd heeft dat hij bereid is om zijn lichaam af te staan aan de hongerige inwoners. Alles voor de stad en haar inwoners, zou je zeggen. Alleen hoe zit het nu met het lichaam van Pieter Adriaansz van der Werff?

Over de afbeelding
Een prent van Philippus Velijn naar een tekening van A. Elink Sterk jr. In dit tafereel wordt het wel heel erg bont gemaakt. De kunstenaar laat dit alles plaatsvinden in een raadskamer, waar een kind is gestorven en een vrouw bezwijkt. De prent is geschonken aan het Rijksmuseum in 1906. en gemaakt tussen 1822 en 1824 volgens de etstechniek.
Over de afbeelding
Jacobus Buys (ca. 1724 – 1801) maakte er wel een bijzondere voorstelling van. Niet alleen was Van der Werff omringd door wat militairen lijken te zijn. Hij dreigde in zijn versie zijn linkerarm af te hakken. Deze tekening is onderdeel van de collectie van het Rijksmuseum en zou later een bron van inspiratie worden voor anderen.

Geboortedatum

Net zoals met heel veel verhalen die te maken hebben met het Beleg van Leiden kun je hierover ook vragen stellen. Bijvoorbeeld over de herkomst van dit verhaal. Die is terug te herleiden tot Jan Fruytiers. Wanneer zelfs de Universiteit Leiden niet helemaal precies weet wanneer de beste man nu precies geboren is, dan is dat best bijzonder.Op deze pagina van de Universiteit Leiden lees je meer over Jan of Johan Fruytiers. Via de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren is het mogelijk een selectie van zijn bewaard werk te bekijken (bron).

Over de afbeelding
De voorkant van het boek van Jan/Johan Fruytiers. Meer informatie via deze link.
Over de afbeelding
Corte Beschryvinghe vande strenghe Belegheringhe ende wonderbaerlicke Verlissinghe van der Stadt Leyden in Hollandt – Jan Fruytiers.
Bron: Universität Münster.

Wat zou bijzonder is: Fruytiers (andere spellingswijzen zijn: Frutiers of Fryterius) behoorde tot een van de bekendere dichters van de tweede helft van de zestiende eeuw volgens de eerdergenoemde pagina van de Universiteit Leiden. Het is vooral zijn beschrijving geweest van het Beleg van Leiden waarvoor hij geroemd werd. Bijvoorbeeld in het “Biographisch wooordenboek der Nederlanden” van A.J. (Abraham Jacob) van der Aa (1792 – 1857). Het eerste deel van dit boek verscheen in 1852. Via de website van de DBNL is het makkelijk zoeken. Nog makkelijker is het om te zoeken via het Huygens Instituut. Daar is de informatie ook beschikbaar via een directe link naar pagina 260.

Over de afbeelding
Beschrijving Jan Fruytiers uit “Biographisch woordenboek der Nederlanden” – A.J. van der Aa. Via het Huygens Instituut.
Over de afbeelding
Beschrijving Jan Fruytiers uit “Biographisch woordenboek der Nederlanden” – A.J. van der Aa. Via het Huygens Instituut.

Het is overigens wel afhankelijk om welke druk van “Korte beschryvinge van de strenghe belegheringhe ende wonderbaerlijcke verlossinghe der stadt Leyden in den Jaare 1574” het gaat. In de versie uit 1577 komt dit verhaal niet voor. In een latere versie komt dit verhaal wel voor en dat is juist de versie die door tal van anderen vervolgens gebruikt werd als bron voor hun werk. Een zoekopdracht via de DBNL levert het volgende resultaat op:

Gevonden resultaat via DBNL.
Over de afbeelding
Beschrijving Jan Fruytiers uit “Biographisch woordenboek der Nederlanden” – A.J. van der Aa. Via het Huygens Instituut.

Dan gaat het allemaal om de versie uit 1739 waarvan gebruik gemaakt werd. In deze versie komt inderdaad het verhaal over wat we kennen als de “Zelfopoffering van burgemeester Van der Werff” voor. In de originele versie komt deze versie versie niet voor. Dan gaat het vermoedelijk om deze versie. Dat lijkt alleen een andere versie te zijn dan deze versie, die al uit 1574 dateert. Dat is deze versie.

Om welke tekst gaat het nu precies?

"Siet lieve meedeburgers ik hebbe eed gedaan, dien ik verhoope door den geever aller goeden gaaven stantvastelyk te houden: Soo gy myn dood geholpen zyt, ik moet eens sterven, ende het is my eeven veel oft gy ’t doet op sulker maate ofte de vyand: Want myn sake is goed. Zyt gy dan met myn dood geholpen, neem myn lichaam snyd dat aan stukkenm ende deult daar van soo veele als strekken mach, ik bens getroost."

Deze tekst is te vinden in de versie uit 1739 op pagina 107. Daarmee werd de basis gelegd voor de verdere geschiedenis van burgemeester Van der Werff en zijn rol tijdens het Beleg van Leiden. Heldenmoed, zichzelf wegcijferend. Alleen, was het niet deze zelfde eerste burgemeester die erover twijfelde of er ingegaan moest worden op de brief die verstuurd werd door Valdez? Moesten gebroeders Jan en Jacob van der Does en Jan van Hout hun uiterste best doen om de rest van het stadsbestuur niet ervan te overtuigen om vooral niet de stadspoorten te openen?

Dat zag ook Willem van Oranje, die na de bevrijding van de stad een bezoek bracht aan Leiden. Op 14 oktober presenteerde hij het plan om het gehele stadsbestuur, inclusief Van der Werff te vervangen. De prins wilde een bestuurshervorming doorvoeren en Van der Werff nam hierop ontslag. Hij bleef wel aan als lid van de vroedschap. Daarnaast aanvaardde hij een nieuwe functie als Commissaris-generaal van het leger van de Staten van Holland. In 1776 kreeg hij de opdracht de bezittingen van de stad Gouda te verkopen, naast de verpachting op belastingen. Ook was hij betrokken bij het afnemen van een nieuwe eed van trouw in de regio Schoonhoven aan de Staten van Holland Pas in 1577 zou hij terugkeren in zijn functie als eerste burgemeester van de stad Leiden en laat dat nu net het jaar zijn waarin Fruytiers toe was aan een nieuwe versie van zijn boek.

Het lijdensverhaal van Jezus Christus

Dat juist dit verhaal is opgenomen kan ook met iets anders te maken hebben. Het kan een veel diepere, religieuze boodschap zijn. Een verwijzing naar het lijdensverhaal van Jezus Christus. Vergeet niet, het protestantisme was in die tijd nog iets nieuws en mensen moesten daar nog aan wennen. In dit geval kan het een verwijzing zijn geweest naar het verhaal over Jezus en de betekenis die bijvoorbeeld het eten van een geconsacreerde hostie heeft. De welbekende woorden zijn immers: “Neemt en eet, dit is Mijn Lichaam.” Wanneer je nog een stapje verder zou gaan, zou het een verwijzing kunnen zijn naar iets veel diepers: de mystieke leer van de kerk (de katholieke kerk weliswaar) om verenigd en verbonden te zijn.

Mooie theorie...

Het is natuurlijk een mooie theorie of een andere uitleg van dit bijzondere verhaal. De vraag is of het allemaal ook zo is. Is het logisch dat de rol van de burgervader misschien wat is aangedikt? Zodat zijn populariteit wat zou toenemen? We weten het niet zeker.

Zelfs al zou dit alles niet op waarheid gebaseerd zijn en zelfs al bedenk je dat er een moment is geweest dat Van der Werff gedacht moet hebben dat het misschien maar beter was om onderhandelingen aan te gaan met de Spanjaarden, dan valt daarmee de burgemeester niet van zijn voetstuk. Het is geen kwestie van cancelen. Laten we eerlijk zijn: ga er maar eens aanstaan. Een stad die belegerd wordt, waar honger en een epidemie het dagelijks leven dicteren. De gebroeders Van der Does en Jan van Hout waren op dat moment even ‘het geweten’ van de stad. Waren zij er niet geweest, dan had de stad eenzelfde lot gewacht als Haarlem. Weliswaar zouden de bestuurders misschien gratis gekregen hebben. Dat gold niet voor een groot deel van de opstandelingen en het leger.

Bovendien, was Leiden in Spaanse handen gevallen, dan zou dit grote gevolgen hebben gehad voor bijvoorbeeld de stad Delft. Door de belegering van Leiden was een deel van de Leidse regio, het Groene Hart en de Duin- en Bollenstreek geworden tot een oorlogsgebied. Dat gebied zou daarna volledig onder controle komen te staan van de Spanjaarden. In dit gebied was een deel voor langere tijd onbewoonbaar, door de doorgestoken dijken. Kortom, wanneer Leiden in Spaanse handen zou zijn gevallen, dan had dit grote gevolgen.

Over de afbeelding
Corte Beschryvinghe vande strenghe Belegheringhe ende wonderbaerlicke Verlossinghe van der Stadt Leyden in Hollandt – Jan / Johan Fruytiers, bladzijde 136.
Over de afbeelding
Corte Beschryvinghe vande strenghe Belegheringhe ende wonderbaerlicke Verlossinghe van der Stadt Leyden in Hollandt – Jan / Johan Fruytiers, bladzijde 137.

Na het lezen van dit alles, kun je de vraag stellen waarom Jan Fruytiers niet eerder is besproken in het gedeelte over het gedeelte dat ging over de ontknoping van het Beleg van Leiden en in het bijzonder wie er nu verantwoordelijk was voor de ontdekking van de lege Lammenschans. Laten we daarom alsnog even kijken wat deze schrijver daarover te zeggen had.

Pagina 136

Voor de duidelijkheid: tot nu toe hebben we Gijsbert Cornelisz Schaeck als de man (niet de jongen, op basis van zijn leeftijd) als de persoon die de Spaanse kookpot meenam uit de schans die we kennen als de Lammenschans. Vanzelfsprekend is het verhaal over de ontdekking van de lege schans ook opgenomen in het verhaal van Fruytiers.

Vanaf pagina 136 lees je daar meer over. Zo lees je dat niemand in de stad wist dat de Spanjaarden in het holst van de nacht de schans verlieten, behalve een jongen. Die jongen wordt door Fruytiers niet bij naam genoemd. Behalve dat hij bereid was om voor een bedrag van zes gulden te gaan kijken of de schans inderdaad verlaten was. Wanneer hij gepakt zou worden, dan zou hij verklaren dat hongersnood in de stad hem tot een wanhoopsdaad gedreven had, door de stad te ontvluchten.

Op de volgende pagina lees je dat niemand vervolgens geloofde dat de schans ook daadwerkelijk verlaten was en “een ander met eenen Verrenjager hem gevolgt zynde gesien wert zynen weg voorby de schanse neemende na den admiraal, dien hy tot den knien toe in `t water te gemoet liep, was aan beyde de zyden vreugt.” Het was vervolgens kapitein Gerrit van der Laan die samen met andere Vrijbuiters polshoogte kwam nemen.

Onbekende jongen

Volgens Fruytiers werd de ontdekking gedaan door een voor hem onbekende jongen, maar werd hij niet geloofd. Wie wel geloofd was dat was iemand van de Vrijbuiters, die beschikte over een verrejager. Al is het wel een beetje omslachtig uitgelegd. De informatie komt wel overeen met wat Orlers vermeldde in zijn verslag van de gebeurtenissen. Net zoals Orlers liet ook Fruytiers de naam van Joppensz weg. Het bleef eenvoudigweg dus bij een jongen. Iemand die dus eigenlijk niet geloofd werd. Als het om de Spaanse kookpot ging was het niet die jongen die deze pot meenam.

Ook in dit geval lijkt dit alles, zowel de zelfopoffering van burgemeester Van der Werff als de vaststelling dat de Lammenschans verlaten was, aan te tonen dat de verhalen niet in alle gevallen kloppen. Zelfs bij bepaalde gebeurtenissen die gezien werden als waarheid mag je soms bepaalde vraagtekens plaatsen. Dat is in het verleden vaker gedaan alleen is dat niet altijd op de juiste manier gedaan. Een voorbeeld waarbij het misgegaan is: de relatie van Magdalena Moons tot Francisco de Valdez en haar eventuele invloed op zijn beslissing om Leiden niet aan te vallen op 2 oktober 1574.

Over Magdalena Moons

Over de afbeelding
Het schilderij van Simon Opzoomer (1807 – 1878) is wellicht het bekendste schilderij over dit onderwerp. Magdalena Moons smeekt Francisco de Valdez om af te zien van de bestorming van Leiden op 2 oktober 1574. Het schilderij klopt niet helemaal, want de kans was niet erg groot dat Moons persoonlijk naar Leiden zou afreizen om daar Valdez te ontmoeten. Bovendien blijkt uit correspondentie met landvoogd Luis de Zúñiga y Requesens dat er besloten was om de tactiek van de verschroeiende aarde in combinatie met het doorsteken van de dijken toe te passen.
Het schilderij is sinds 1885 in bruikleen van de gemeente Amsterdam in het Rijksmuseum.

Wie was Magdalena Moons?

Voordat een vraag beantwoord kan worden over een eventuele rol van Magdalena Moons is het misschien beter de vraag te beantwoorden wie ze was. Wie was Magdalena Moons?

Magdalena Moons zag het levenslicht op 24 januari 1541 in Den Haag. Daarmee was ze aan het begin van het Beleg van Leiden dus 32 jaar oud. Opvallend, ze werd voor die tijd best oud: 72 jaar, want ze stierf op 15 juni 1613 in Utrecht.

Bij haar geboorte was ze het vijftiende kind Pieter Moons, fiscaal-advocaat aan het Hof van Holland. Haar moeder was dochter van een vooraanstaand Antwerpse bestuurder. Het huwelijk van haar vader was zijn derde huwelijk.

Fruytiers

Het heeft geen zin om in alle boeken die eerder besproken op zoek te gaan naar Magdalena Moons. Behalve in een boek. Dat is het boek van Fruytiers. Hij verdedigd Moons. De vraag is alleen: waarom? Waarom zou het nodig zijn om haar te verdedigen? Simpel, de eer van Moons was te grabbel gegooid en dat zou eigenlijk zo blijven.

Het begon eigenlijk helemaal niet verkeerd. De eerste vermelding was een anonieme vermelding door Orlers in 1641. Het ging dan om de tweede druk van het al eerder vermelde werk over de belegering van de stad. Waarom het verhaal niet eerder verscheen is niet duidelijk. In de versie van Orlers ging het om een huysvrouwe uit den Haghe, de oude naam van Den Haag. Dat Orlers in de nieuwe versie dit verhaal wel opnam had te maken met een ander werk dat was verschenen, “De Bello Belgico decades duae 1555 – 1590” uit 1602. Hoewel dit werk gedateerd is tussen komt er deel in voor dat gaat over de belegering van Leiden. Het boek werd geschreven door Famiano Strada (1572 – 1649), die hierbij geholpen werd door Alexander Farnese (1545 – 1592).

Pro-Spaans boek

Het boek was uiteindelijk niet erg gelief in latere tijden, omdat gold als een pro-Spaans boek. Zo verweet Strada dat Willem van Oranje er voornamelijk op uit was zijn aardse belangen boven spirituele belangen te stellen.

Over de afbeelding
Famiano Strada. Bron: Rijksmuseum.
Over de afbeelding
Alexander Farnese. Bron: Rijksmuseum.
Orlers maakte in zijn tweede versie dus gebruik van wat Strada beschreef over iemand die van invloed zou zijn geweest op een belangrijke beslissing van Valdez. Orlers benoemde dit ook in zijn werk:

"Omme tot dit grouwelick voornemen te mogen geraecken, so heeft den Oversten Baldeus, wanneer de Borgeren in haren uytersten noot ende droefheyt ghecomen waeren, geresolveert ende besloten de Stadt Leyden te bestormen ende met gewelt aen te tasten: ende daer toe al last gegeven had-de: Maer God Almachtich die de bedroefde Burgheren in zijne heylige bescherminghe ghenomen hadde, ende besloten die door zijne almogende handt te verlossen: Die heeft door zijne wijsheydt dat voornemen also gestiert ende beleydet, dat Baldeus ter liefden van seeckere Jonckvrouwe, woonende inne den Hage, daer hy op verlieft was ende daer na by hem getrout is, van zijn besluyt verandert is, ende aen zijne Capiteynen ende Solda-ten verboden zulcx in het werck te stellen, niet twijfelende of de Stadt Leyden zoude hem van zelfs wel in handen comen.

Het gene ick van dese saecke geseyt hebbe, zullen wy bewijsen mette woorden vanden Hoochgeleerden Firmianus Strada, genomen uyt zijne Latijnsche Beschrijvinge vande Nederlantsche Oorloghen, ghedruckt tot Antwerpen: De welcke by een van mijne goede Vrienden verduytst zijnde, aldus zijn luydende:

Baldeus liet niet nae dickmael naer den Haghe te gaen, alsoo hy aldaer op eene schoone Vrouwe verlieft was, die hy met gheduerige vleyinghe, minne-licke vryagie, ende Hollantsche vryheyt vervolchde, want hy haer tot eene Huysvrouwe in sijn hart verkooren hadde, ende oock corts daer na trou-de. ’Tgebeurde dat Baldeus daeghs te vooren, als hy voorgenomen hadde de Stadt Leyden te bestormen (daer toe hij sijn Crijchs-volck alreede last gegeven hadde) eene treffelicke maeltijt inden Hage om haeren wille hadde bereyt, sy op de selve maeltijt verschijnende, ende hy haer bedroeft siende, vraghende ernstich nae de oorsaecke van haere droefheyt, gaf hem voor antwoorde, dat sy niet anders als bedroeft conde sijn, alsoo haer voor oogen speelde den ellendigen stant der Ingesetenen van Leyden, die den volgenden dach gedestineert waren om geplondert, ende vermoort te worden. Dat de overdenckinge doen alleen van soo veele lieve ende familiere vrienden, die nootwendich tot openbare ruyne comen, ende tot Lijcken worden mosten, ghenoechsaem was, om alle blijtschap uyt haer harte te doen verhuysen, ende dat daer nae ’tghehoor van’t succes, eene ongheneesselicke wonde in haer harte drucken soude. Baldeus om de hoope van Huwelijck niet af te snijden, gebiedt haer vrolijck van harten ende wel ghemoet te sijn, haer secretelijck belovende, dat hy sijn voornemen van de Stadt met ghewelt aen te tasten naerlaten soude, ende dat hy uyt liefde, die hy haer toe-droech, de hertneckige Stadt soude sparen, twelck hy soo te liberaelder beloofde, als hy seeckerder was, dat de selve van selfs sonder eenich ghewelt ende bloetstortinghe in sijne handen soude vallen.

Dus verre de woorden van Strada.“

Vast in Den Haag

Over de afbeelding
Den Haag met de Hofvijver en het Binnenhof omstreeks 1598 door Henricus Hondius. Uit de collectie van het Haags Gemeentearchief.

Op het moment dat het Beleg van Leiden begon veranderde zo’n beetje een groot deel van Zuid-Holland in een strijdtoneel. Den Haag werd bezet en dit zorgde ervoor dat Magdalena en haar moeder vast kwamen te zitten in de stad. Valdez gebruikte Den Haag als zijn onderkomen en dit zorgde ervoor dat hij kennis maakte met Magdalena. Deze dingen kunnen nu eenmaal gebeuren. De een spreekt over een juffer, de ander over een huysvrouwe. Het ging om dezelfde persoon, al was lange tijd niet duidelijk dat het om Magdalena Moons ging. In de eerste bronnen werd ze niet bij naam genoemd.

"Amalia, de bijzit van Valdez"

Later werd ze alleen geïntroduceerd als “Amalia, de bijzit van Valdez.” Een beschrijving die deed vermoeden dat het alleen maar zou gaan om het lichamelijke. Dat was niet het geval, want na het mislukken van de poging van Valdez om de stad zelf de poorten te laten openen overwoog hij tot een aanval. Het zou vervolgens Moons zijn geweest die hem tijdens een diner ervan weerhouden heeft om dit vooral niet te doen. Ze had er belangen bij om een aanval te voorkomen. In de stad woonden familieleden en vrienden. Door hem een huwelijk in het vooruitzicht te stellen zou hij toegestemd hebben om de stad niet aan te vallen.

Dat was voordat de weersomstandigheden veranderden en de Geuzen daarvan gebruik konden maken. Daarna was het voor de Spanjaarden hopeloos om het beleg nog langer vol te houden. Woedende Spaanse soldaten zorgden ervoor dat Valdez Moons vervolgens niet kon houden aan haar voorwaarde, want hij werd opgepakt. Pas nadat Valdez afgerekend had met de woedende soldaten, die hem tot in Den Haag kwamen belagen en zich had verantwoord als het ging om alle geruchten, zou een huwelijk mogelijk zijn geweest. Valdez moest zich niet alleen verantwoorden voor de nederlaag, waarmee hij de troepen de kans ontnomen had om de stad eens goed te plunderen. Er waren ook verdenkingen tegen hem dat hij het misschien op een akkoordje gegooid had met de Leidenaren.

Over de afbeelding
Haga Comitis In Hollandia (1570), gedateeerd 1730, graveur: G. van Giessen, uitgeven door R. Boitet. Onderdeel van het Haags Gemeentearchief.

De visie van Robert Fruin

Over de afbeelding
Robert Fruin. Naar een foto van Erfgoed Leiden en Omstreken, welke oorspronkelijk gemaakt is door Jan Goedeljee (1824 – 1905).

Het huwelijk tussen Moons en Valdez zou gesloten zijn in Antwerpen, mogelijk en tot aan diens dood in 1580 mocht Moons haarzelf beschouwen als zijn echtgenote. Het probleem ontstond toen, na enkele eeuwen waarin het verhaal van Moons op deze manier verteld werd, een vooraanstaand Leidse historicus zijn visie gaf. Dan hebben we het over Robert Fruin (1823 – 1899), wiens naam verbonden is aan de oudste nog bestaande middelbare school in Leiden: het Stedelijk Gymnasium. Het Stedelijk Gymnasium is de oudste nog bestaande middelbare school in Leiden.

Oudste scholen

De school behoort ook nog eens tot een van de oudste scholen in Nederland. De geschiedenis van deze school gaat terug tot de veertiende eeuw, mogelijk eerder. Fruin was leraar Aardrijkskunde en Geschiedenis aan deze school, maar is vooral bekend geworden als hoogleraar Vaderlandse Geschiedenis aan de toenmalige Rijksuniversiteit Leiden (de voorloper van de Universiteit Leiden) in de periode tussen 1860 en 1894. Een van de onderwerpen waarover Fruin schreef was de opstand in de Nederlanden. Hierbij concentreerde hij zich voornamelijk op de periode tussen 1588 en 1598. Dat hij aandacht besteedde aan Magdalena Moons en haar rol tijdens het Beleg van Leiden had misschien een wat lokaal karakter, omdat hij zelf rond die tijd woonachtig en werkzaam was in Leiden.

Over de afbeelding
Gezicht op de Latijnse School in de Lokhorststraat in Leiden. Foto gemaakt door Jan Goedeljee en onderdeel van de collectie van het Rijksmuseum sinds 1994. De Latijnse School was lange tijd de naam voor het Stedelijk Gymnasium. Pas in 1838 werd deze naam voor het eerst gebruikt. De school was hier gevestigd tot 1883.
Over de afbeelding
Het Stedelijk Gymnasium aan de Doezastraat 2a in Leiden. Deze foto is gemaakt door de Leidse fotograaf Jan Goedeljee en is onderdeel van de collectie van Erfgoed Leiden en Omstreken. Het gymnasium was hier gevestigd tussen 1883 en 1938. Fruin zou hier dus geen les meer geven, want hij was tussen 1849 en 1859 werkzaam op het Stedelijk Gymnasium.

Moons als volkslegende

Fruin stelde dat Moons helemaal niet in het huwelijk zou zijn getreden met Valdez, omdat er bewijs zou zijn geleverd voor een ander huwelijk. Dat met Jan Cues. Dit bewijs leverde hij in het “Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1879.” In deze bijdrage haalde Fruin zowel Strada als Frutyiers aan. Ook noemde hij de naam “Amalia”,” zoals eerder door anderen werd gedaan, om vervolgens een afschrift van een huwelijksakte te presenteren van de Sint Jacobs-parochie in Antwerpen. Hierin waren de namen opgenomen van ene Jan Cues en Magdalena Moons en het jaartal 1678. Wanneer dit het geval zou zijn, dan zou Moons al in dat jaar in het huwelijk zijn getreden met deze Cues.

Wel vroeg Fruin zich af of dit misschien een schuilnaam van Valdez zou kunnen zijn. Later kwam hij tot de conclusie, op basis van zijn genealogisch onderzoek dat dit niet het geval kon zijn. Daarmee kwam vast te staan dat Moons en Valdez dus nooit in het huwelijk waren getreden. Hij degradeerde Moons daarmee eigenlijk tot een minnares van Valdez. Deze publicatie zou grote gevolgen hebben. Want het zou ertoe leiden dat erin opvolgende of latere publicaties getwijfeld werd aan de persoon Magdalena Moons. Zowel de rol die Moons speelde als de persoon zelf werden daarmee eigenlijk een volkslegende.

Lastig om uit te zoeken

Wanneer iets of iemand geldt als een volkslegende kan dit gevolgen hebben voor hoe mensen die persoon bezien. Er kan getwijfeld worden aan die persoon. Dat werd dus ook gedaan. Sommige mensen beschouwden Moons vanaf dat moment als slechts een minnares van de Spaanse bevelhebber. Weer anderen gingen zelfs verder dan dat en zagen in haar nog iets meer: een verleidster. Men vergat, zelfs al zou het om een volkslegende gaan dat het allemaal draaide om die ene avond of nacht op 2 oktober.
Moons zou Valdez niet zomaar iets in het vooruitzicht gesteld hebben. Een eeuwige verbintenis, een huwelijk. Alles om de stad Leiden te beschermen. Of dat gedeelte op waarheid berust, dat is lastig om uit te zoeken. Fruin besloot dat dat gedeelte ook niet waar moest zijn, want hoe kon het bestaan dat een vrouw invloed zou kunnen uitoefenen op het beleid van een legerleider als Valdez? Een sterk staaltje van chauvinistisch mannelijk denken uit de negentiende eeuw.

Het is alleen de vraag of Fruin het niet op meer punten mis had. Dat blijkt dus zo te zijn.

Over de afbeelding
Magdalena Moons door prentmaker Gerhardus Fredericus Eilbracht (1816-1854). Sinds 2006 onderdeel van de collectie van het Rijksmuseum.

Wanneer je alleen andere bronnen raadpleegt, bijvoorbeeld een uitgebreide beschrijving van het leven van Moons via de website van het Huygens Instituut (geschreven door Elks Kloek) als onderdeel van het Digitaal Vrouwenlexicon, dan wordt nergens de naam van Jan Cues genoemd. Zelfs op de Wikipedia-pagina over Magdalena Moons wordt de naam Jan Cues niet genoemd. Dan kun je eigenlijk maar een conclusie trekken: Robert Fruin had het mis.

Over de afbeelding
De Spaanse Furie door Frans Hogenberg. Via Wikimedia Commons.

Waar Fruin geen rekening mee leek te houden was de positie van Antwerpen destijds en wat we nu kennen als “De Spaanse Furie.” We hebben hiervoor exacte data, namelijk 4 tot en met 7 november 1576. Wanneer we de geschiedenisboeken erop naslaan gebeurden daar de meest verschrikkelijke zaken, waarbij Antwerpen veranderde in een slagveld. Er werd afgerekend met troepen die een bedreiging vormden voor de Spanjaarden, maar daarbij maakte men geen onderscheid tussen troepen en burgers van Antwerpen. Juist die Spaanse Furie heeft voor iets gezorgd dat mogelijk een belangrijke rol gespeeld heeft: er zijn belangrijke stukken verloren gegaan, als die al hebben bestaan. Dat schrijft althans de onderzoekster Els Kloek (DBNL-profiel). Ze deed uitgebreid onderzoek naar Moons en haar invloed op Valdez. Haar conclusie: Fruin had het mis en daarmee hadden andere historici het ook niet bij het juiste eind.

De Spaanse Furie had niet alleen te maken met het onderdrukken van tegenstand. Ook het feit dat de Spaanse Rijk failliet ging speelde een belangrijke rol van betekenis. Dit leidde tot een muiterij, want men was niet meer in staat tot het betalen van bijvoorbeeld soldij. Het niet betalen van soldaten is gevaarlijk, want daarmee creëer je een situatie waarbij men gaat twijfelen over het voortzetten van een eventuele strijd en dat is dus wat er gebeurde.

Inspireren

Valdez liet zich inspoeren door wat Sancho d’Avilia (1523 – 1583) in Antwerpen deed. Zelf was hij niet in de stad toen d’Avilia zijn troepen opdracht gaf om de stad te plunderen. Valdez gaf de opdracht ditzelfde te doen op 26 juni in Aalst. Ook in andere steden vonden soortgelijke plunderingen plaats. Denk aan de Spaanse Furie in Mechelen (2 tot 5 oktober 1572) en de Spaanse Furie in Maastricht (20 oktober 1576). Het gevolg was dat de muiters volgelvrij verklaard werden door de Raad van State. Daarmee werd Valdez dus ook vogelvrij verklaard.

Over de afbeelding
De Spaanse Furie in Antwerpen door Frans Hogenberg. Deze ets is onderdeel van een boek gemaakt door Frans Hogenberg (1535 – 1590). Het boek waar deze prent afkomstig uit is, Serie 7: Nederlandse Gebeurtenissen, 1576-1577″ verscheen tussen 1576 en 1578. Dit boek werd in 1881 aangekocht door het Rijksmuseum.
Los van het volgelvrij verklaren zorgde de gebeurtenissen in Antwerpen in november 1576 nog voor een andere belangrijke gebeurtenis. Notariële akten en andere belangrijke documenten zijn niet altijd meer terug te vinden, omdat ze eenvoudigweg niet meer bestaan. Naar schatting zeshonderd huizen en het stadhuis brandden af in Antwerpen. Het aantal doden werd later geschat op ongeveer zevenduizend.

Spaanstalige informatie

Over de afbeelding
De afkondiging van het Eeuwig Edict op 27 februari 1577 voor het stadhuis van Antwerpen door Simon Frisius (naar een prent van Frans Hogenberg). De ets is sinds 1881 in het bezit van het Rijksmuseum.

Wanneer het huwelijk wel plaats zou hebben gevonden, dan zouden de ontwikkelingen tijdens de Spaanse Furie in Aalst en de ontwikkelingen op politiek gebied daarbij een rol gespeeld kunnen hebben. Dat ligt natuurlijk niet voor de hand, want het huwelijk tussen Moons en Valdez was immers gesloten voor de eeuwigheid. De kans dat dit huwelijk gesloten werd in de openbaarheid achtte Kloek overigens erg klein. Ten eerste omdat Valdez niet geliefd was, zelfs voor de Spaanse Furie niet en ten tweede omdat dit soort huwelijken normaal gesproken niet openbaar voltrokken werden.

Opvallend genoeg lees je via de Spaanstalige Wikipedia-pagina een heel ander verhaal over de laatste jaren van Valdez. Zo zouden de twee pas in 1578 in het huwelijk zijn getreden.

"Zich ervan bewust dat hij zijn gezag niet zou kunnen doen gelden zonder de Spaanse tercios, riep Don Juan van Oostenrijk hen naar zijn kazerne. Valdez meldde zich vrijwillig en bij zijn terugkeer naar de Lage Landen trouwde hij in 1578 in Antwerpen met Magdalena Moons, nadat hij had deelgenomen aan de overwinning van Gembloux (31 januari 1578) en de inname van Nijvel (12 maart). Hij voegde zich echter pas definitief bij het leger toen Alexander Farnese, opvolger van wijlen Don Jan van Oostenrijk, hem het bevel gaf over de Siciliaanse Tercio, waarmee hij Mastrique innam. Na deze acties keerde hij terug naar Italië met zijn Tercio; deze keerde terug naar Sicilië, maar de soldaat bleef in Piombino, in Spaans Toscane, waar hij als gouverneur diende in 1580, hetzelfde jaar waarin hij stierf. Magdalena Moons, weduwe, trouwde jaren later met Willem de Bye, hoofd van het Staatse leger, en hoewel men probeerde de vermelding van Moons huwelijk met een Spaanse soldaat te verwijderen, kon de Leidse onderzoeker Els Kloek het bewijs van haar eerdere huwelijk lezen dankzij hyperspectrale beelden."

Over de afbeelding
Don Juan van Oostenrijk (1547 – 1578 ). Bron: Wikimedia Commons.

Eeuwig Edict (1577)

Dit zou natuurlijk ook nog een optie kunnen zijn: 1578. Nadat ’alles’ voorbij was. De kans is alleen niet erg groot. De Spanjaarden waren door een bepaling niet langer welkom in de Nederlanden. Dat was het Eeuwig Edict. Er zijn meer versies van dit Eeuwig Edict bekend (1531, 1577, 1611 en 1667). Beschouw dit als een akkoord met een hele lange levensduur. De ‘versie’ waar het om gaat dateert uit 1577 en zo lang werd die overigens niet gerespecteerd. Dit Eeuwig Edict ging in op 12 februari en werd op 24 juli 1577 alweer beëindigd.

Dit was een eenzidige beslissing door Don Juan van Oostenrijk (1547 – 1578), de Spaans legerleider en landvoogd van de Nederlanden. De overeenkomst moest leiden tot een wapenstilstand. Daarnaast kwamen de landvoogd en de Staten-Generaal overeen dat er een erkenning plaats zou vinden van de Spaanse koning Filips II als koning en de landvoogd als wettig gezag. Er zou een amnestieregeling ingesteld worden door de Spanjaarden en alle Spaanse troepen zouden de Nederlanden verlaten. De Spaanse en Italiaanse soldaten zouden, omdat de Spaanse schatkist bijna leeg was, betaald worden door de Staten-Generaal, de huursoldaten uit andere landen door het Spaanse Rijk. Ook zouden er geen aanvallen meer plaatsvinden op katholieken of katholieke doelwitten door de Opstandelingen.

Het leek erop dat alles helemaal goed zou komen, toen Filips II zijn Blijde Intrede kon maken op 10 mei 1577. Eerder had hij dit Eeuwig Edict op 7 april nog schoorvoetend aanvaard. Dat dit Eeuwig Edict nauwelijks een paar maanden actief is geweest als bestand, wil niets zeggen over de periode erna. Niet over hoe welkom Spanjaarden en in het bijzonder Spaanse hoogwaardigheidsbekleders (inclusief officieren) bijvoorbeeld waren. Antwerpen was na de Spaanse Furie in handen gevallen van de Opstandelingen en op 18 september 1576 was daar al de feestelijke intocht geweest van Willem van Oranje.

Valdez was niet echt welkom

Dit alles zorgde ervoor dat Valdez niet echt welkom zou zijn geweest na deze Spaanse Furie. Een huwelijk na die periode is dan ook niet logisch. Zelfs onder een schuilnaam (Cues) is het nog steeds niet logisch. Wat wel logisch was: het schrappen van een vermelding dat Moons de weduwe was van wijlen Valdez. Hij overleed in 1580 volgens deze bron. Ook deze bron noemt het jaartal 1578 en de stad Antwerpen als vermoedelijke huwelijkslocatie.
Over de afbeelding
Een ingekleurde kopergravure van Magdalena Moons uit de negentiende eeuw door Jacobus Houbraken uit de collectie van Erfgoed Leiden en Omstreken.

Waarover inmiddels geen twijfel hoeft te bestaan is het huwelijk tussen Moons en Valdez. We kunnen het idee schrappen dat Moons slechts een “bijzit” was van Valdez en daarmee niet meer was dan een minnares. Of ze daarmee de stad Leiden behoed heeft voor een bestorming is niet helemaal zeker.

Toegegeven, het heeft wel veel weg van een erg mooi verhaal. Alleen dat het later ontkracht is door historici mag je ook zien in een bepaald tijdsbeeld. Ze plaatsten vraagtekens bij de rol van Moons omdat ze eenvoudigweg vrouw was. Dat ze een vrouw was zorgde ervoor dat er vraagtekens geplaatst werden. Nergens plaatste men vraagtekens over de eerder besproken jongensverhalen over de ontdekking de verlaten Lammenschans of de pot met hutspot, terwijl juist die verhalen het ook waard waren om uit te zoeken. Nee, de heren die dit alles onderzochten, waaronder Fruin, trokken de conclusie dat Valdez vooral niet geluisterd zou hebben naar een vrouw.

"Leids Beleg en ontzet door Spaanse ogen"

Er blijven voldoende vragen over waarom Valdez niet is overgegaan tot een bestorming van de stad. Zeker wanneer je bedenkt dat getuigenverslagen vanaf de Boshuyserschans er niet om logen. Dit was de meest vooruitgeschoven schans. In het boek “Leids Beleg en ontzet door Spaanse ogen” (directe link) geschreven door Raymond Fagel (1997), wordt op pagina 14 aandacht besteed aan de derde uitval door de inwoners van de stad. Bernardino Mendoza beschreef deze uitval.

Hoewel de aanval uitvoerig door Fagel in het boek is beschreven, zijn het de laatste woorden die belangrijk zijn: “Het leek alsof de stad niet bewoond was, want niemand verliet de stad of vertoonde zich op de muren.” Dit was meteen ook de laatste uitval die vanuit de stad ondernomen werd. Daarna zou er niets meer worden ondernomen, zoals al eerder vermeld. Had Valdez dan niet al lang de opdracht kunnen geven tot een bestorming? Bijvoorbeeld na het afwijzen van een voorstel tot capitulatie?

Alles verbranden en dijken doorsteken

Over de afbeelding
Spaanse soldaten tonen brood aan de inwoners van Leiden tijdens het tweede beleg van Leiden. De prent is sinds 1881 in het bezit van het Rijksmuseum en is gemaakt door Dirk Sluyter.
Over de afbeelding
De Leidenaren weigeren het door de Spanjaarden aangeboden brood. De ets werd gemaakt door Theodoor Koning naar een ontwerp van Jacobus Buys en is sinds 1881 in het bezit van het Rijksmuseum.

Bekend is het verhaal over juist dat moment waarop Moons hem overhaalde om af te zien van een aanval op 2 oktober. De kans dat dit ook zou gebeuren lijkt niet groot. De Watergeuzen kwamen eraan, het wachten was alleen op het moment wanneer dit zou gaan gebeuren. Aan een brief aan leger-aanvoerder Luis de Zúñiga y Requesens zou juist staan dat er een tactiek van de verschroeiende aarde toegepast zou worden, in combinatie met het doorsteken van de dijken. Deze tactiek leek gehoor te vinden aan het Spaanse hof, want Filips II was voorstander van een dergelijke harde aanpak.

Tactiek van verschroeiende aarde

De berichten over de aftocht van Valdeze bereikten de Requesens pas na 7 oktober en daarna pas op 10 oktober het Spaanse hof. Vanuit Madrid kreeg men wel de toestemming voor de totale vernietiging. Niet zozeer van de stad, maar alles wat eromheen lag. Verbranden en de dijken doorsteken. Dat laatste moest overigens vermeden worden, want daarmee zou land verloren gaan. Alleen wanneer het echt niet anders kon moesten dijken doorgestoken worden. Daarom ging de voorkeur uit naar de tactiek van de verschroeiende aarde.

De vraag is in hoeverre Moons invloed kon uitoefenen op de beslissing van Valdez, zeker wanneer je bedenkt dat van hogerhand orders aankwamen. Hoewel De Zúñiga y Requesens een gematigder beleid voerde dan zijn voorganger, bleek dat in de ontknoping van deze belegering weinig meer voor te stellen. Desondanks staat daar tegenover dat de twee trouwden. Welk exact jaar dit precies is geweest en waar de huwelijksplechtigheid plaatsgevonden heeft, daarover hoeft geen twijfel te bestaan. Dat die twijfel wel heeft bestaan is te wijten aan de conclusies van Robert Fruin.

Dat er geen twijfel meer hoeft te bestaan weten we pas sinds 2007. In dat jaar toonde Els Kloek aan dat er een huwelijkscontract gevonden was tussen Magdalena Moons en Willem de Bye (1536 – 1605). Het is wel even goed om te vermelden dat dit document, een “copie-extract” gemaakt werd in 1610, dus na de dood van De Bye. Op dat moment was Moons getrouwd met Jurriaan van Lennep (1560 – 1615). Het huwelijk tussen Moons en De Bye werd in 1597 gesloten in Rijswijk, het huwelijk tussen Moons en Van Lennep vermoedelijk in 1606 (Voorburg).

Geen huwelijksakten

Er zijn tot op heden voor zover bekend nog geen huwelijksakten gevonden van deze huwelijken. Was dit wel het geval geweest, dan zou het allemaal nog makkelijker geweest zijn. Dankzij het werk van Kloek zijn we inmiddels te weten gekomen dat Moons op een bepaald moment in haar leven geduid werd als “wed […] don F[…]nc[…]sco de Baldees.” Inderdaad, de weduwe van wijlen don Francisco de Valdez. In oude teksten wordt de naam van de legeraanvoerder voortdurend anders vermeld. Er wordt op de pagina ook meteen een reden aangegeven waarom de tekst niet meer zichtbaar is, want dat is niet meer het geval. Vermoedelijk omdat Moons er geen belang meer bij had om herinnerd te worden aan deze periode of omdat haar man er geen belang bij had. Haar man, op dat moment dus Willem de Bye, was een vooraanstaande militair. Stel je voor zeg, zijn vrouw was dus eerder getrouwd met een legeraanvoerder van de vijand…

Over de afbeelding Schermafdruk van het gedeelte van het onderzoek van Els Kloek. Het onderzoek is te bekijken via deze link of via via deze gearchiveerde versie.

Meer dan minnares

Leiden werd dus niet aangevallen en wat daar ook de reden voor was, wel of geen bemoeienis van of door Moons, de stad werd bevrijd. Alleen volgde hierna de eigenaardige ontwikkeling dat lang niet in alle eerste versies van de geschiedenis van het Beleg van Leiden Magdalena Moons terugkwam. Toen ze wel met naam en toenaam genoemd werd, volgde er een aanpassing. Het zou vervolgens nog lange tijd moeten duren voordat er sprake was van een eerherstel. Desondanks zijn er nog altijd vraagtekens. Wat was haar rol precies? Had ze wel of geen invloed op Valdez? In ieder geval is wel duidelijk dat ze meer was dan ‘alleen maar’ een minnares of al het andere waarvoor ze is uitgemaakt.

De introductie van papiergeld

Over de afbeelding
Het kredietbewijs van Johan Pamstruch.
Bron: Wikimedia Commons.

Er wordt weleens beweerd dat papiergeld voor het eerst in Leiden geïntroduceerd werd in Noord-Europa tijdens het beleg van de stad. Klopt dit wel? Tegelijkertijd wordt Johan Palmstruch (1611 – 1671) ook wel aangevoerd als de bedenker of uitvinder van het papiergeld.

Laten we beginnen met Palmstruch. Hij had een band met Nederland. Niet alleen dat, want zijn voorvaderen waren afkomstig uit Duitsland. Zelf werd hij geboren in Riga (vandaag de dag hoofdstad van Letland). De vader van Palmstruch was handelaar en vestigde zich omstreeks 1634 in de Amsterdamse Warmoesstraat. Lang duurde dit verblijft niet, want vier jaar later woonde de familie weer in Riga.

Stockholm Banco (1656)

Palmstruch zou uiteindelijk medeverantwoordelijk zijn voor de oprichting van de eerste Centrale Bank in Europa. Na 1656 kreeg hij van Karel X, de Zweedse koning, toestemming voor de oprichting van de Stockholm Banco, een soort Bank van Lening. Hiervan profiteerde alleen de Zweedse staat. De oprichting bleek een succes te zijn, want er werden meer vestigingen geopend. Door verschillende oorlogen werd het lastiger om koper te gebruiken voor het muntgeld. Daarom werden vanaf 1661 de kreditivsedlar (kredietbewijssstukken) geïntroduceerd. Dit bleek zo populair te zijn, dat er eigenlijk te veel van dit soort bewijsstukken gedrukt werden. De stukken werden eigenlijk gebruikt als papiergeld en dit leidde ertoe dat er inflatie ontstond. Je kunt niet ongestoord geld blijven drukken zonder dekking.

Onrust

Na de beslissing om bewijsstukken te weigeren, ontstond maatschappelijke onrust. De overheid stelde een verbod in op de bewijsstukken en daarmee kwam een einde aan dit papiergeld. Of het ook echt papiergeld is valt te betwisten. De naam zegt het eigenlijk al: het waren bewijsstukken die je kon verzilveren. De achterliggende gedachte was alleen dat ze eenzelfde waarde vertegenwoordigden als muntgeld.

Met Palmstruch liep het niet heel goed af. De bank ging door de onrust in 1668 failliet en ging over in de Riksens Ständers Bank, de voorloper van de Zweedse Rijksbank. Palmstruch kreeg grotendeels de schuld en werd veroordeeld tot de doodstraf. Van een daadwerkelijke voltrekking van het vonnis kwam het overigens niet. De straf werd omgezet naar een gevangenisstraf. Na een jaar volgde vrijlating en hij vestigde zich daarna op zijn landgoed in Täby. Hij overleed op 8 maart 1671.

Over de afbeelding
Voorbeelden van noodmunten tijdens het Beleg van Leiden. Bron: Rijksmuseum.
Hoewel het ging om bewijsstukken, vertegenwoordigden ze een bepaalde waarde en die was gelijk aan muntgeld. Je kon er nog niet echt mee betalen. Dat was wel het geval in Leiden. Uit nood werd papiergeld gemaakt. Dat was iets anders dan wat Palmstruch introduceerde. Dat was een systeem van bankwissel. Je wisselde een biljet in, om daarvoor munten te krijgen. In Leiden was het dus anders, daar had Willem van Oranje toestemming verleend om speciaal papiergeld te laten drukken, omdat er een tekort was aan edelmetaal. Als eerste kwam de kwartgulden in aanmerking. Daarna de gulden. Uiteindelijk zouden er 35.000 kwartguldens en 8.000 guldens in omloop gebracht worden.
Over de afbeelding
De voorkant van een kwartguldenmunt van papier. Bron: Rijksmuseum.
Over de afbeelding
De achterkant van een kwartguldenmunt van papier. Bron: Rijksmuseum.

Uiteindelijk zou het papiergeld in Leiden niet lang bestaan. Na de eerste terugtrekking besloot men het geld weer te vervangen voor zilveren munten. Men beschouwde deze munten als betrouwbaarder. De inzamelingsactie vond plaats na 28 maart 1574. Tijdens het tweede beleg werd geen papiergeld gemaakt of gebruikt. Opvallend is dat een toch wel aanzienlijk bedrag voor die tijd van 4.500 gulden nooit is teruggevonden.

Niet alleen voor papiergeld werden maatregelen afgekondigd. Na het eerste beleg verloren alle koperen munten die tijdens dit beleg geslagen werden hun waarden. Later, tijdens het tweede beleg, zouden er nog wel koperen munten in omloop zijn. Deze waren alleen wel in omloop tegen een verminderde waarde. De zilveren munten zouden tijdens het tweede beleg wel in omloop blijven.

Was het papiergeld?

Was het alleen papiergeld of niet? Strikt genomen was het papiergeld. Geld gemaakt van papier. Wanneer je het bovenstaande leest, dan ben je geneigd te denken: Dit is de eerste versie van geld gemaakt van papier, dus een bankbiljet. Er is alleen een verschil tussen papiergeld en een bankbiljet. Palmstruch mag je beschouwen als de persoon die een aanzet gaf tot de introductie van wat we nu kennen als bankbiljetten, al kon je er iets mee verzilveren. Betalen kon je er niet mee.

Betalen met papiergeld was wel mogelijk in Leiden. Het waren geen biljetten. Dit was samengeperst papier, gemaakt van bijvoorbeeld katholieke bijbels. Ze vervingen (deels) de munten van edelmetaal. Het stadsbestuur was wel bezorgd over de eventuele gevolgen hiervan. Hoe betrouwbaar as dit alles?

Direct na de introductie ontstond het vermoeden dat er sprake was van ongeoorloofde verspreiding van dit papiergeld (valsmunterij). Daarom riep het stadsbestuur op om het geld te laten controleren. Toch viel het nog wel mee, want op 16 januari 1674 was er sprake van slechts 11 valse guldens en 22 valse kwartguldens.

3 Oktoberlezing over dit onderwerp

In een eerdere versie van dit artikel werd onterecht gemeld op basis van de de getoonde foto’s afkomstig uit de collectie van het  het Rijksmuseum, dat er geen sprake meer zou zijn van originele versies van de munten. Omdat deze allemaal vernietigd zouden zijn. Wel is het zo dat later nieuwe exemplaren zijn gemaakt als eerbetoon. Hoe dat precies zit lees je in de 3 Oktoberlezing uit 2007 over dit onderwerp.

Meer over het papiergeld is te vinden in het “Lofdicht op het papieren noodgeld uit het beleg van Leiden, 1574” uit 1630 door Joost van den Vondel (volgens het Rijksmuseum). 

Over de afbeelding
Het lofdicht van Joost van den Vondel uit 1630 op het papiergeld.
Bron: Rijksmuseum.

Tijdlijn over de geschiedenis van geld

Wil je meer weten over de geschiedenis van geld, met een tijdlijn? Dan is deze website (Historia) een goed uitgangspunt. Al wordt op die website het Beleg van Leiden niet genoemd.

Hoe kwam Leiden aan een universiteit?

Over de afbeelding
“Academia Lugdunensis.” Het Academiegebouw van de universiteit in 1614 uit de collectie van Erfgoed Leiden.

De oudste universiteit van Nederland?

Sinds 1575 is er in Leiden een universiteit gevestigd. Hoe kwam Leiden aan een universiteit? Was de stichting van de universiteit het gevolg van het volhouden van de weerstand tegen de Spanjaarden of niet?

De Universiteit Leiden, eigenlijk opgericht als hoogeschool, werd opgericht in 1575 en geldt als oudste universiteit van Nederland. Eigenlijk klopt dit niet. Op het moment van oprichting was er al een andere universiteit die zich oudste universiteit mag noemen. Alleen vandaag de dag is deze universiteit onderdeel van een ander land. Dat is België. Het gaat dan om de Universiteit Leuven. Deze universiteit werd in 1425 gesticht.

Geen universiteit in de Noordelijke Nederlanden

In de Noordelijke Nederlanden, eigenlijk de gebieden die in opstand kwamen tegen de Spanjaarden was er geen universiteit te vinden. Daarom was er een goede reden te bedenken voor de stichting van een universiteit. De vrees bestond dat er geen studenten (lees: mannen) opgeleid konden worden. Het ging dan niet alleen om landsbestuurders, maar ook om rechters, medici en theologen.
Over de afbeelding
Facsimile van het octrooi tot de stichting van de Universiteit van Leiden, 1575 Octrooi tot de stichting van de Hoogeschool tot Leiden, naar het oorspronkelijke, in het Archief der gemeente Leiden (titel op object). Bron: Rijksmuseum.

Het idee bestaat dat de komst van de universiteit alles te maken had met het Beleg van Leiden. Bovendien was het makkelijk om er een universiteit te vestigen, omdat een aantal katholieke bezittingen waren geconfisqueerd. Denk dan aan het huidige Academiegebouw aan het Rapenburg. Ook speelde het mee dat er uit andere bezittingen, zoals de Abdij van Egmond-Binnen, nieuwe eigendommen waren verkregen.

Formeel koning

Dat het een cadeau was van Willem van Oranje aan de stad Leiden blijkt alleen niet uit de stichtingsbrief. Onderaan deze brief staat de naam van koning Filips II. Logisch, wanneer je bedenkt dat hij op dat moment formeel nog koning was van de Nederlanden. Pas in 1581 zwoer men via het Plakkaat van Verlatinghe Filips II af. Nauwelijks een jaar later, op 26 maart 1582, deed Filips de universiteit in de ban, want hij beschuldigde de universiteit van ketterij. Dat was best wel laat, want er werd al enkele jaren onderwijs gegeven aan theologiestudenten op basis van de leer van het protestantisme.
Hoewel al eerder genoemd, was het Academiegebouw aan het Rapenburg niet de echte locatie waar het begon. Dat was in het Sint Barbaraklooster. Na een tweede verhuizing aan het Rapenburg kwam de universiteit uiteindelijk terecht in het voormalige Witte Nonnenklooster (1581). Zelfs een brand in 1616 kon de universiteit er niet van weerhouden om zich hier te blijven vestigen.

Over de afbeelding
De Victoriakas van de Hortus Botanicus in 2019. Foto: Een onbekende fotograaf 😉

Achter het Academiegebouw aan het Rapenburg werd in 1590 begonnen met de oudste Hortus Botanicus die ons land kent. Anders dan andere botanische tuinen was de Leidse versie al vanaf het begin toegankelijk voor het gewone (Leidse) publiek.

Hoewel de wens er al was vanaf het moment dat de universiteit gesticht werd in 1575, duurde het nog enige jaren voor-dat de botanische tuin ook daadwerkelijk aangelegd werd. Doel was om een “hortus medicus” aan te leggen. Hierin konden studenten geneeskunde planten bestuderen en aanleggen. Het verzoek tot de aanleg van deze tuin werd gedaan op 15 maart 1587. Op 9 februari 1590 was het zover: de eerste 1.250 vierkante meter werd in gebruik genomen. Daarmee was de Hortus Botanicus Leiden een feit. Carolous Clusius was de eerste praefectus horti (directeur van de Hortus Botanicus). Iemand anders die zeker niet onbelicht mag blijven in deze was Herman Boerhaave (1668 – 1738), die tussen 1709 en 1730 praefectus horti was.

Heurnius

Boerhaave kennen we vooral van de introductie van de klinische lessen aan het bed van de patiënt, waarmee een patiënt beter onderzocht kon worden en een diagnose gesteld kon worden. Dat stond overigens haaks op zijn eigen manier van werken: op basis van brieven die hij van patiënten ontving schreef hij een behandeling of medicatie voor. De twaalf bedden in het Caeciliagasthuis (het voormalige Sint Caeciliaklooster), momenteel het Rijksmuseum Boerhaave, werden vooral gebruikt door iemand anders: Otto Heurnius (1577 – 1652). Naast arts was Heurnius ook theoloog en filosoof. Het was niet Boerhaave die toestemming kreeg van het stadsbestuur voor het geven van dit soort onderwijs aan het bed, maar Heurnius.
Over de afbeelding
Het voormalige Sint Caeciliaklooster aan de Lange Sint Agnietenstraat 10 in Leiden in 1979 voordat er grondig werd verbouwd. De foto is genomen door G.J. Drukker en is onderdeel van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed Amersfoort (documentnummer 216.382)(Bron).

Over de schenking

Hoe zit het nu precies met die schenking? Op de website van de universiteit zelf lees je daarover het volgende:

"De Universiteit Leiden zag in 1575 het levenslicht dankzij Willem van Oranje. Volgens de overlevering stichtte hij de universiteit om de stad te belonen voor de weerstand tegen de Spaanse bezetter."

De tekst is niet heel stellig. “Volgens de overlevering” houdt in dat het niet helemaal vast staat. Dat is ook het geval. Het is natuurlijk een mooi verhaal wanneer Leiden voor de moedige en dappere strijd tegen de Spanjaarden een beloning kreeg. Alleen waarom kreeg Alkmaar dan geen universiteit? Ook die stad toonde moed. Die stad viel ook niet in handen van de Spanjaarden. Er is een andere reden voor te bedenken en dat had te maken met de omvang van de stad. Leiden was nu eenmaal groter en daarom kreeg Leiden de kans om een universiteit te beginnen.

Niet de informatie

Soortgelijke woorden lees je ook via de Historische Canon van Leiden. De pagina waarop je het zou verwachten, namelijk die met de titel Geschiedenis van de Universiteit Leiden, toont je niet de informatie waar je naar zoekt. Er staan veel artikelen over de geschiedenis van de universiteit op deze pagina, alleen niet de informatie die je dus zou verwachten. Dat is bijzonder, want het gaat hier om een dossier van de universiteit zelf.

Over de afbeelding
Het Academiegebouw in 1870. De foto is gemaakt door Jan Goedeljee en is te vinden in het archief van Erfgoed Leiden en Omstreken.

Via de website Geschiedenis van Zuid-Holland lees je vervolgens dat op 8 februari 1575 Leiden een universiteit gekregen heeft. Dat is eigenlijk niet juist, want op die datum werd dit is de datum van de opening van de universiteit. Over die dag lees je overigens wel meer via de website van de universiteit zelf (bron). De vraag waarom Leiden nu een universiteit kreeg blijft dus nog steeds een ‘beetje’ onbeantwoord, zelfs met de informatie via de Historische Canon van Leiden. Een reden ontbreekt. Nergens staat duidelijk vermeld waarom de Prins dit zo besloot. Wel is er een brief bekend waarin de prins op 28 december 1574 aangeeft zijn voorkeur uit te spreken van de vestiging van een universiteit.

De Gids

Het antwoord is lees je in “De Gids.” Dit is een algemeen cultureel en literair tijdschrift. De eerste uitgaven gaan terughalverwege de negentiende eeuw. Tegenwoordig geeft De Groene Amsterdamer “De Gids” uit. In jaargang 109 uit 1946 is het antwoord te vinden. In deze jaargang citeert men de historicus Johan Huizinga (1872 – 1945). Hij hield op 3 oktober 1924 in het interneringskamp Sint-Michelsgestel (Kamp Sint-Michielsgestel) een toespraak. Deze toespraak wordt na de oorlog, in 1946, opgenomen in De Gids. Huizinga was na de sluiting van de universiteit op 27 november 1941 gijzelaar (tussen 7 augustus en 24 oktober 1942). In 1942 volgde zijn ontslag als hoogleraar op last van de Duitsers. Op 1 februari 1945 overleed Huizinga op 73-jarige leeftijd in De Steeg bij Arnhem.
Over de afbeelding
Johan Huizinga (1872 – 1945).Bron: Wikimedia Commons.

Huizinga over de "Hoogeschool"

In de toespraak die later is opgenomen in De Gids, en te lezen is via de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren, maakte Huizinga een einde aan wat hij noemde een “fabeltje.” Een hardnekkig “fabeltje,” want tot op de dag van vandaag zijn er nog steeds mensen die er heilig van overtuigd zijn dat de Prins van Oranje Leiden de keuze stelde: tien jaar lang geen belastingen betalen (omschreven door Huizinga als “belastingvrijdom”) of een “hoogeschool,” waarmee Huizinga een universiteit bedoelde. Huizinga liet verder weten dat “de Universiteit is niet de belooning geweest van Leiden’s heldhaftigheid, wel de bekroning.” Alleen is de vraag hoe kwam hij toch aan deze informatie?

Huizinga haalde een brief van van Willem van Oranje van 28 december 1574 aan. De brief was gericht aan de Staten van Holland en Zeeland. De voornaamste redenen voor de oprichting waren het ondersteunen van de staat, niet alleen door het leveren van goede leiders, ook door het leveren van theologen. Zoals de prins het omschreef: “tot een vast steunsel ende onderhoudt der vrijheijt en de goede wettelijcke regieringe des lants, niet alleen in zaeken der religie, maar ook in tgene den gemeijnen borgherlicken welstandt.

Niet automatisch

Leiden kwam niet automatisch in aanmerking. Het had weinig gescheeld of er was gekozen voor een andere optie. Die andere optie was de stad Middelburg. Op 2 januari 1575 besloot de Prins dat het Leiden werd. De volgende stap was het samenstellen van het bestuur. Daarna volgde een bijzondere, maar uiteindelijk logische beslissing.

Onder de oprichtingsakte kwam de naam van Filips II te staan en niet die van Willem van Oranje. Formeel behoorden de Noordelijke Nederlanden nog tot het Spaanse koninkrijk. Daarom was Filips dus nog de koning. Deze beslissing werd genomen op 6 januari 1575. Hierna stelde men vast wat de factulteiten waren. Dat werden: rechten en medicijnen, filosofie en “andere vrije consten.” De daadwerkelijke inwijding volgde op 8 februari 1575. Dit alles heeft plaatsgevonden in een best wel snel tempo. De vraag wanneer de universiteit daarom is geschonken aan de stad is eigenlijk niet helemaal juist. De vraag zou moeten zijn: wanneer is de universiteit aan de stad toegekend. Dat was officieel op 6 januari 1575 met het octrooi op naam van Filips II.

Dit alles staat beschreven vanaf pagina 13 van de in De Gids opgenomen toespraak van Huizinga.

Het feest van Leiden en omstreken

Over de afbeelding
De 3 Oktobervoering in de Pieterskerk in 1991. Fotograaf: David Moyer. De foto is onderdeel van de collectie van Erfgoed Leiden en Omstreken.
Leidens Ontzet is het feest van Leiden en omstreken. Natuurlijk, de stad Leiden staat centraal. Wanneer je alleen bedenkt wat de invloed is geweest van dit beleg op de omliggende regio, dan is het zeker het feest van Leiden en omstreken. Niet dat er in andere gemeenten feest gevierd wordt. Het echte feest vindt plaats in Leiden zelf. Dat doet men eigenlijk al sinds 1574. Op de dag dat de Watergeuzen de stad bereikten.

Wanneer is men nu echt begonnen met de Leidse 3 Oktoberfeesten? De feesten beperken zich niet meer tot alleen 3 oktober namelijk. Het is maar net wat je beschouwt als “feest.” Wat op de dag zelf, 3 oktober 1574 vond er al een dankdienst plaats in de grootste kerk van Leiden, de Pieterskerk. Er werd gedacht aan een jaarlijkse traditie, al kwam dat pas twee jaar later van de grond met een parade van de schutterij en spiegelgevechten. Weer een jaar later volgde een tiendaagse markt. Rond 1630 was het een traditie om jaarlijks als familie een maaltijd te nuttigen en zo te denken aan de gebeurtenissen op die dag, zoveel jaar geleden. Tot aan 1655, toen de markt afgeschaft werd en alleen nog toneelvoorstellingen plaatsvonden. Met de komst van de Fransen (1795) werden alle festiviteiten afgeschaft.

Na de Franse Tijd

Na de Franse Tijd dacht men weer na over de invulling van 3 oktober. Eerst door het uithangen van de vlaggen en een dankdienst. Het stadsbestuur bepaalde dat het beter was om te herdenken op een zondag. Niemand hoefde dan een vrije dag in te leveren. Dat vonden de leden van de Leidse studentenvereniging Minerva maar niets. Ze verzochten om een aparte dag, gewoon op 3 oktober. Zondag of geen zondag. Vanaf 1824 vond er een jaarlijkse viering plaats, die een beetje te vergelijken is met de huidige viering: muziek-, toneel, vuurwerk. Dat niet alleen, want er werd ook haring en wittebrood uitgedeeld.
Over de afbeelding
Het standbeeld van burgemeester Van der Werff in het Van der Werffpark in het centrum van Leiden. Bron: Erfgoed Leiden en Omstreken.

In 1884 werd het standbeeld van Pieter Adriaansz van der Werff onthuld en twee jaar later (13 mei 1886) werd de 3 October Vereeniging opgericht. Sinds die tijd is deze vereniging verantwoordelijk voor het organiseren en invullen van de 3 Oktoberfeesten. De enige jaren waarin geen vieringen gehouden werden waren tijdens de Eerste- en Tweede Wereldoorlog en tijdens de coronapandemie in 2020. Overigens werd in dat jaar wel een kranslegging gedaan en vonden de activiteiten online plaats.

Niet beperkt tot een dag

Inmiddels is het 3 Oktoberfeest niet meer beperkt tot een dag. Op 2 oktober vindt de Taptoe plaats, waarbij verenigingen zich presenteren. Op 3 oktober vindt in alle vroegte de reveille plaats. Ook zingt men nog samen (het Koraal). Een week voor 3 oktober organiseert men voor leerlingen van basisscholen uit Leiden en omstreken het Minikoraal.

In de Pieterskerk vindt een herdenkingsdienst plaats. In de middag is er een grootste optocht door de stad. Dat is niet alles, de stad is onderdeel van een warenmarkt én op verschillende plaatsen in de stad is een kermis te vinden.
Over de afbeelding
3 oktober op de Hoge Rijndijk in 1992. Foto gemaakt door David Moyer.

Bron: Erfgoed Leiden en Omstreken.

Thema

Ieder jaar staat de optocht die ’s middags door Leiden trekt in het teken van een thema. Welk thema dat precies is valt te lezen op de website van de 3 October Vereeniging. Deze vereniging reikt ook ieder jaar een prijs uit aan een persoon die de een belangrijke rol heeft gespeeld voor de gemeente Leiden in het voorgaande jaar.

De juiste spellingswijze

Over de afbeelding
De optocht van 1984: “Poppedeinen.” Foto gemaakt door Jan Hovast. Bron: Erfgoed Leiden en Omstreken.

Wat is het nou? Leids Ontzet of Leidens Ontzet? De officiële benaming is Leidens Ontzet. Is het heel erg wanneer je spreekt van Leids Ontzet? Helemaal niet! Dat mag ook gewoon. Leids is in dat geval een bijvoeglijk naamwoord. Je mag het zelfs combineren met een lidwoord, maar dan wel het juiste lidwoord. Dat is het. Dus het Leidens Ontzet of het Leids Ontzet. Eigenlijk is het gewoon een kwestie van wat je gewend bent. Voor heel veel mensen is het ‘gewoon’ Drie Oktober, met een hoofdletter O trouwens. Wil je het helemaal goed doen, dan is het vanzelfsprekend een drie met een rollende R! Drrrrie Oktoberrr!

Hoofdletter

Is het niet raar om oktober met een hoofdletter te schrijven? Dat is niet gebruikelijk. Dat zit zo: het gaat om een feestdag en het kan afhankelijk zijn van de locatie van waar je 3 oktober in een zin plaatst. Bijvoorbeeld: “Het was erg warm op 3 oktober” hoeft geen verwijzing te zijn naar het Leidens Ontzet. Is dat het wel, dan maak je ervan: “Het was erg warm op 3 Oktober.” Het kan ook anders: “3 Oktober was een warme dag.” Zo weet iedereen wel dat het gaat om het Leidens Ontzet.

Een verouderde, inmiddels niet meer gebruikte naam is Leidsch Ontzet. Klinkt leuk en nostalgisch, maar woorden eindigend op sch komen niet standaard meer voor. Wie schrijft bijvoorbeeld nog Haagsch of Amsterdamsch? Dat deden we vroeger. Wat verwarrend is: er zijn uitzonderingen hierop. Bepaalde namen schrijf je wel met SCH en deze zijn in sommige gevallen verbonden met Leiden. Denk aan de bekende krant Leidsch Dagblad.

Het woord 'ontzet'

Waar komt dan het woord ‘ontzet’ vandaan? Dat woord is niet exclusief Leids, sorry. Alkmaar kent ook een ‘ontzet,’ net zoals Breda, Bredevoort, Groningen, Maastricht en nog veel meer plaatsen. Sterker nog, kijk je naar andere steden in de wereld, dan zijn die op een bepaald moment in de geschiedenis ook ‘ontzet.’ Neem bijvoorbeeld de Duitse stad Hamburg. Daar vond een belegering plaats door de Denen en nee, dat had echt niets te maken met de Tachtigjarige Oorlog. Dit beleg vond plaats in 1686. De bevrijding vond plaats door de troepen van het hertogdom Brunswijk-Lüneburg en Brandenburg-Pruisen. Dat bevrijden is wel belangrijk in dit geval. Want daar gaat het om: een ontzet is niets anders dan een einde van een belegering.

Het gaat niet altijd om een belegering van een stad. Denk maar eens aan kastelen, forten of andere belangrijke plaatsen. De geschedenis kent genoeg voorbeelden. In een aantal gevallen eindigde het beleg dan met een einde dat veroorzaakt werd door een externe factor. Het gaat bij een ontzet niet om zomaar een bevrijding. Er is hulp van ‘buitenaf’ bij nodig. Soms bewust, soms niet.

Iets anders

Denk aan het doorsteken van de dijken in Alkmaar en Leiden. In andere gevallen waren het andere verschrikkelijke rampen, zoals noodweer, epidemieën of ander onheil. Naast hulp van een legermacht is er iets anders dan bijdraagt of bij kan dragen aan het einde van de belegering. Dat is dus een ontzet.

Samenvattend was dat dus in Leiden de combinatie van het water en de Geuzen.

Wie was er eerder, Almaar of Leiden?

Over de afbeelding
Beleg van Alkmaar, 1573. Een ets gemaakt door Coenraet Decker en sinds 1887 opgenomen in de collectie van het Rijksmuseum.

Het Beleg van Alkmaar eindigde eerder

Historisch gezien is die vraag natuurlijk gemakkelijk te beantwoorden. Alkmaar scoort hier punten. Dit beleg eindigde voor de Spanjaarden op 8 oktober, toen de laatste troepen zich uit de modder terugtrokken. Je kunt daarmee dus stellen dat Alkmaar iets gewonnen heeft als het gaat om de traditie van het feest dat hoort bij het herdenken van dit beleg. Alleen is dat wel zo?
Over de afbeelding
De bestorming van Alkmaar in 1573. Een albuminedruk naar een schilderij van Jacobus Wilhelmus Adrianus Hilverdink door fotograaf ’t Hooft in het bezit van het Rijksmuseum.

Net zoals in Leiden gaat ook de traditie van herdenken in Alkmaar terug tot direct na de bevrijding van de stad. Op de dag dat de laatste troepen wegtrokken (8 oktober 1573) begon men met herdenken. De vlaggen gingen uit. In de kerken hielden de inwoners van de stad dankdiensten. Op de website (over) Immaterieel Erfgoed lees je er meer over. Om precies te zijn onder het gedeelte “Geschiedenis en ontwikkeling.” In 1861 werd de “Vereeniging ter viering van den Gedenk-dag van Alkmaars Ontzet in 1573 en ter bewaring van andere geschiedkundige herinneringen in dezer stede” opgericht.

1924

De vereniging die in 1861 opgericht werd organiseert bestaat niet meer. Lange tijd namen de katholieke inwoners van Alkmaar niet deel aan de activiteiten. Na de Eerste Wereldoorlog kwam daar een einde aan. In 1924 werd er een nieuwe vereniging opgericht: 8 October Vereeniging ‘Alkmaar Ontzet.’ Dat is de huidige vereniging die vandaag de dag de festiviteiten organiseert. Daarover lees je meer via de Canon van Nederland.

Hoe zat dit dan in Leiden? Al eerder genoemd: de oprichting van de 3 October Vereeniging vond plaats aan het einde van de negentiende eeuw.

Over de afbeelding
Prent uit 1873: “Bij Alkmaar begint de victorie.” Bron: Rijksmuseum.

Hutspot en zuurkool

In beide steden kent men een gezamenlijke maaltijd. In Leiden is dat de hutspotmaaltijd en in Alkmaar is dat de zuurkoolmaaltijd. Wanneer je in de geschiedenisboeken op zoek gaat naar een relatie tussen het Beleg van Alkmaar en zuurkool, dan zal je daar niets over terugvinden. Dat is logisch. De traditie is een zeer jonge traditie. Er hoorde bij het beleg of het ontzet geen speciale maaltijd, zoals dit in Leiden wel het geval was. In Alkmaar besloot men dit te gaan doen rond de eeuwwisseling (2002), zo valt te lezen in dit gearchiveerde artikel van het AD. De reden had alles te maken met de festiviteiten in Leiden. Men vond dit in Alkmaar eigenlijk ook wel een leuk idee.

Ieder moment

Zo zie je maar, tradities hoeven niet altijd heel oud te zijn. Tradities kunnen op ieder moment ontstaan. Laten we eerlijk zijn, in Leiden vindt de georganiseerde maaltijd ook pas sinds de jaren negentig van de vorige eeuw plaats. Zo zie je maar, tradities kunnen op ieder moment ontstaan.

Dan is het nu echt klaar...

Over de afbeelding
Boisot verwelkomt burgemeester van der Werff tijdens het ontzet van Leiden, 1574. Bron: Rijksmuseum.

De winst gaat naar...

De vraag is nog steeds niet helemaal beantwoord: wie was er nu eerder met de viering van het ontzet? Strikt genomen was dat Alkmaar. Hoe kan dat ook anders. Historisch gezien vond dit beleg nu eenmaal eerder plaats. Als het om de oprichting van de vereniging gaat, dan wint Leiden. 1886, 1924. De vraag is alleen: is het de moeite waard om er een wedstrijd van te maken?

Twee belegeringen

Beide gebeurtenissen hebben een bijdrage geleverd aan de geschiedenis. De geschiedenis van de Tachtigjarige Oorlog. Dit artikel ging voor een groot gedeelte over de stad Leiden, waar tussen 30 oktober 1573 en 3 oktober 1574 een belegering plaatsvond. Strikt genomen dus niet een belegering, maar twee aparte belegeringen. Met als uitkomst een stad die het uiteindelijk vol wist te houden, met de hulp van buitenaf.

Een groot deel van het zuidelijke deel van Zuid-Holland kwam onder water te staan, om zo de Spaanse troepen te verdrijven. Alleen zo konden de Watergeuzen onder leiding van Louis de Boisot de stad uiteindelijk bereiken. Die gebeurtenis is goed voor een jaarlijks feestje in Leiden. In een aantal omliggende gemeenten zijn schoolkinderen die dag (3 oktober) vrij en sommige bedrijven zelfs gesloten. Dat is niet geheel onlogisch wanneer je bedenkt dat de impact van dit beleg ook voor de omliggende gebieden groot is geweest.

Niet alleen de Spanjaarden

Niet alleen in de directe omgeving, maar ook op verre afstand vernietigde men gebouwen. Overigens deden niet alleen de Spanjaarden dit. De Opstandelingen zelf vernietigden ook gebouwen, om zo te voorkomen dat de Spanjaarden deze in handen kregen of de kans kregen om deze eenvoudigweg te plunderen. Denk hierbij aan de abdijen van Loosduinen en Noordwijkerhout (Leeuwenhorst). Ook kloosters in Delft, het Westland en Rijnsburg zouden eindigen als puinhopen.

Niet in alle gevallen ontstond duidelijkheid wie er nu precies verantwoordelijk was voor de vernietiging of waarom de vernietiging plaatsvond. In sommige gevallen was het duidelijk: dat de transformatie van dorpen tot forten, vanwege de afstand tot Leiden. Minder duidelijk waren de beslissingen om dorpen verder weg te vernietigen. Het is wel logisch wanneer je kijkt naar het grotere ‘plaatje.’ Valdez wilde ook Delft veroveren. Deze poging mislukte. Eigenlijk was het hele gebied tussen het Leidsche Meer (de Haarlemmermeer/het Kagermeer of de Kagerplassen) en Delfland een groot oorlogsgebied, waarbij Leiden het middelpunt vormde.

Over de afbeelding
Willem van Oranje (let even op de naamsvermelding onderaan de litho) verneemt het nieuws over het Ontzet van Leiden. Bron: Rijksmuseum.

Verhalen

De gebeurtenissen maakten veel indruk. Daarom vertelde men er ook na 1574 over. In de eerste jaren na het Leidens Ontzet vertelden mensen die het allemaal meegemaakt had de verhalen. Die verhalen schreef men op, bijvoorbeeld door de schrijvers als Orlers of Fruytiers. Die verhalen waren bronnen voor andere schrijvers. Geleidelijk aan ontstond daardoor ‘ruis.’ Zo ontstonden legenden. Bepaalde gebeurtenissen maakte men mooier. Andere gebeurtenissen paste men aan, bewust of onbewust. Bepaalde personen kregen niet de waardering die ze verdienden. Neem bijvoorbeeld Magdalena Moons of Gijsbrecht Cornelisz Schaeck. Dit terwijl anderen, soms zelfs niet-bestaande personen, juist te veel eer krijgen.

Hoe het precies is gegaan met de familiegeschiedenis van Johannes le Francq van Berkhey blijft toch wel een compleet raadsel. Wat deed hem toch besluiten om zoveel eer te geven aan een van zijn voorvaderen en daarmee geschiedschrijvers als Fruytiers en Orlers te negeren? Was dit persoonsverheerlijkig?

Een mooie (jongens)roman

Jacob van Lennep dan, met zijn mooie jongensroman. Hij was niet de enige die dat deed. Meer schrijvers deden dat. Het werd een trend. Vooral de nadruk leggen op de stoere jongens. Het was misschien minder kwalijk dan wat Robert Fruin deed. Hij deed het in zijn hoedanigheid als geschiedkundige.

Het is goed om op te merken dat er toch wel overeenkomsten te onderscheiden zijn tussen de twee. Zelfs wanneer Van Lennep fictie schreef en Fruin zich bezighield met een wetenschappelijke benadering. De twee zagen rond dezelfde tijd het levenslicht (Van Lennep in 1802 en Fruin in 1823). Ze stierven aan het einde van de negentiende eeuw (1868 en 1899).

Nadruk op mannelijkheid

Wat deden de twee nu precies? De nadruk leggen op mannelijkheid. Zoals eerder gezegd: Van Lennep legde de focus op de stoerheid van drie jongens. Fruin rekende af met een idee dat een vrouw een legeraanvoerder beïnvloed zou kunnen hebben. Daarmee is niet gezegd dat Moons in staat zou zijn geweest om Valdez te beïnvloeden. Dat weten we niet. Omgekeerd weten we ook niet of het nooit is gebeurd.

Vergeet niet dat het tijdsbeeld van Fruin zijn blik ongetwijfeld verstoord heeft. Passend in dat tijdsbeeld, zoals de onderzoekster Els Kloek (terecht) opmerkte. Of daarmee Robert Fruin van zijn voetstuk valt? Nee hoor, helemaal niet. De beste man hierom cancellen? Dat hoeft niet. Was hij het immers niet die juist deed wat Van Lennep niet wilde? Van Lennep maakte er ‘leuke’ verhaaltjes van, terwijl Fruin juist voorstander was van een meer analytische benadering. Weg dus met die verhalen. Of daarmee je ook echt achter de denkbeelden van Fruin moet staan als het om nationalisme gaat valt overigens te bezien en valt buiten de ‘scope’ van dit artikel. Dit alles is geen biografie van Robert Fruin, laat dat duidelijk zijn. Ook is het vooral geen betoog ten gunste van deze Fruin, laat dit ook duidelijk zijn.

Wat is het dan wel?

Wat is het dan wel? Een complete afbranding van alles wat te maken heeft met het Leidens Ontzet? Zeker niet! Leidens Ontzet is voor mij als geboren Leidenaar de parel van het jaar. Laten we eerlijk zijn, wat is er nu mooier dan een feest te beleven zoals 3 Oktober? Ik weet het, er zijn meer feesten zoals 3 Oktober. Neem Carnaval, een andere viering van een bevrijding van een stad in Nederland, 5 Mei… Genoeg feesten. Niet met elkaar te vergelijken.

Het ‘gevoel’ is lastig te omschrijven. Misschien is dat wel het meest krankzinnige van dit alles. Ik ben in staat geweest om een lang artikel te schrijven over het Beleg van Leiden en 3 Oktober, maar het benoemen van ‘dat gevoel’ is het meest lastige van allemaal. Is dat niet merkwaardig?

Historie

3 Oktober koester je. Het rare is, dat doe je niet altijd of dat doet niet iedereen. Zo heeft de een wel wat met Carnaval en de ander weer niet. Ik denk dat een stukje historie hier een rol speelt. Mijn eigen historie. De verbondenheid met de stad Leiden. Goed, misschien zijn er mensen uit een willekeurige andere gemeente in Nederland die speciaal naar Leiden afreizen om deel te nemen aan de festiviteiten. Dat kan ook gewoon het geval zijn. Of die op deze pagina terechtgekomen zijn om meer te weten te komen over de gebeurtenissen. Ook dat kan…

Heel misschien is het daarom allemaal te omschrijven aan de hand van dit lied. Nee, dat heeft niet alleen te maken met 3 Oktober. Het heeft te maken met de stad Leiden.

Over de afbeelding
Museum de Lakenhal in Leiden. Bron: Wikipedia/Henk Monster.

Wil je meer weten over de Leidse geschiedenis? Dan is Museum de Lakenhal een goed startpunt. Zowel digitaal als ‘analoog.’ Op 3 oktober bezoek je dit museum trouwens gratis. Meer weten, bezoek dan de website eens.

Over het Beleg van Leiden valt veel te vertellen

In dit overzicht/in dit artikel heb ik mijn best gedaan om een einde te maken aan een aantal misverstanden. Daarnaast heb ik geprobeerd meer inzicht en duidelijkheid te geven. Ik hoop dat dit gelukt is. Nogmaals, niet omdat ik dingen ter discussie stel. Alleen om duidelijkheid te geven. Zodat we de geschiedenis goed kunnen doorvertellen. Zeg nu eerlijk: over het Beleg van Leiden valt veel te vertellen!

Ook interessant

240 miljoen pc's?

240 miljoen pc’s?

Volgens een berekening van Canalys zouden 240 miljoen pc’s na 2025 verdwijnen op de afvalberg. De ondersteuning door Microsoft van Windows 10

Lees verder »

Interessant artikel?

Is dit een waardevol of interessant artikel? Betuig je steun dan door dit artikel te delen via social media of ga een stap verder. Door een kopje koffie voor me te kopen! Dat doe je via de onderstaande optie.

Alvast bedankt!